Opinie

Kijk in de spiegel en vraag je af: deug ik?

Marjoleine de Vos

‘Twee ros en een melk”, zegt de man en krijgt wat hij vraagt. Iemand verderop roept „doe mij nog maar een witte halfom!” en aan het eind van de toonbank wenst iemand een tweede koffie. Het wordt allemaal vliegensvlug voor ze neergezet en meestal even vliegensvlug opgegeten en dan zeggen de eters wat ze hebben gehad of overhandigen bonnetjes en betalen.

Al als meisje keek ik er tevreden naar in de toen nog talrijke Amsterdamse broodjeszaken die het zo deden. Iedereen riep bestellingen, iedereen at en dronk, iedereen rekende af. En in die enkele ouderwetse broodjeszaak die er nog is, gaat het nog steeds zo. Niet, zoals bijna overal elders, eerst betalen en dan pas wat krijgen. En het gaat altijd goed. Dan denk je: zie je wel. De mensen zijn zo beroerd en oneerlijk nog niet.

Of als je iets overkomt. Toen ik een keer werd aangereden, waren er meteen mensen die 112 belden, die een dekentje haalden, die mijn fiets en mijn tas opraapten – dat zie je altijd. Als iemand op straat een ongeluk heeft, valt of struikelt, stormen de mensen toe. Vraag je iemand de weg, dan helpen ze je graag, sommige mensen lopen een eindje met je mee of klimmen bij je in de auto om je de weg te wijzen.

Meestal zijn de mensen zo, trouwens. Totdat het druk wordt en het de vraag is wie er nog in de trein kan zitten of wie het eerst geholpen wordt op de markt. Dezelfde mensen die keurig hun broodje ei afrekenen, proberen wel zonder te betalen met het openbaar vervoer te reizen.

Dat zijn maar kleinigheden natuurlijk, dan praat je niet over grootscheepse wreedheid en onverschilligheid – daar horen en lezen we ook meer dan genoeg over.

Dus het is heerlijk als er mensen zijn die beweren dat de meeste mensen wel deugen en dat het met de wereld helemaal niet zo slecht gaat, dat wij dat maar denken. In het ‘optimisme-nummer’ van De Groene van deze zomer schreven Ralph Bodelier en Mirjam Vossen dat wij in Europa gewoon zwartkijkers zijn, dat we tegen de cijfers in geloven dat het almaar slechter gaat en dat ze in Azië heel anders tegen de wereld aan kijken.

Niets lees ik liever. Want niets is onaangenamer dan te geloven dat de mensen kortzichtig en egoïstisch zijn, dat ze zich gaan misdragen als ze een beetje macht krijgen, dat ze zonder beteugeling maar zelden het goede doen.

Dus is zo’n boodschap als die van Rutger Bregman, dat de meeste mensen deugen, heel plezierig en welkom. Ook al perst hij de hele geschiedenis dan in die ene mal van ‘eigenlijk’ deugen, waardoor ‘deugen’ een ietwat onduidelijker concept wordt dan zou hoeven.

Vervolgens ga je in de spiegel kijken en je afvragen: Deug ik dan ook? Nu niet aankomen met het nietszeggende antwoord ‘soms’. ‘Deugen’ is niet iets wat je soms doet, je deugt en je doet soms wat fout. Bijvoorbeeld. Of je deugt niet. Dus vooruit, laat ik ‘ja’ zeggen.

Maar zodra je dat zegt voel je je helemaal niet goed meer. En ook die twijfel lijkt een vorm van tekortschieten: men dient immers van zichzelf te houden, niet zo streng en onempathisch tegenover zichzelf te staan. Toch woelt de schaamte om alle tekortschieten. Het gaat nooit over onbetaalde broodjes of zwartrijden, altijd over trouw, zorgzaamheid en vriendelijkheid. Ja, die drie geloof ik. Maar zou je een boek geloven dat zei: de meeste mensen zijn trouw, zorgzaam en vriendelijk?

Nu ja, ‘de meeste mensen’. Als je het zelf maar zou zijn. Dan zou je deugen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.