Opinie

Een volgende gijzeling is vanaf nu nog minder waarschijnlijk

Journalistiek

Commentaar

De ophef over de gijzeling van NOS-verslaggever Robert Bas vorige week, liet zien hoe gevoelig het thema persvrijheid ligt. En hoe snel de gedachte veld wint dat die acuut wordt bedreigd. Over gijzeling moet niet licht worden gedacht – het is een ingrijpend, zelfs intimiderend middel. Niet voor niks staat op wederrechtelijke gijzeling maximaal 15 jaar en op ‘gewone’ vrijheidsberoving 8 jaar. Gijzeling, legaal of illegaal, is hoe dan ook lijfsdwang, afpersing. Als de rechter zoiets beveelt moet er écht iets aan de hand zijn. Daaraan was van begin af twijfel, die in hoger beroep resulteerde in snelle vrijlating.

Aan gijzeling komt overigens vanzelf een eind – namelijk als het strafrechtelijk onderzoek eindigt. Het is dus ook een ‘staring contest’ – wie het eerst knippert heeft verloren. Alleen al daarom is het niet héél effectief. Tijdens de twee voorgaande gijzelingen is dan ook geen journalist bezweken. Dat dit nu wel zou gebeuren was nooit aannemelijk.

De rechters in hoger beroep hadden gelukkig een realistischer perspectief. Toch kan ook voor de eerste beslissing, die van de rechter-commissaris wel begrip worden opgebracht. Het wettelijke recht voor journalisten en publicisten om geen vragen van de rechter te hoeven beantwoorden is niet absoluut. Hoewel veel journalisten dat wel zo leken te beleven. Volgens de wet kunnen er zwaarderwegende belangen zijn (dan persvrijheid). Als zwijgen daaraan een ‘onevenredig grote schade’ toebrengt, dan is praten geboden. Journalisten die hun bronnen altijd en per definitie geheimhouding beloven handelen dan ook onverstandig. De rechter heeft altijd een toetsende rol – journalisten moeten daar ruimte voor laten. Met grote woorden kan men dan beter zuinig zijn.

In deze zaak beschuldigde de advocaat in de Berkelse vergismoordzaak de journalist ervan met de bron samen te spannen om zijn cliënt deze moord in de schoenen te schuiven. Die theorie wenste hij te toetsen. De RC vond het misdrijf ernstig genoeg en de mogelijke wetenschap van de journalist relevant genoeg om dat toe te staan. Ook omdat de identiteit van de bron al bekend was. De RC heeft de wettelijke plicht om evenwicht in de strafzaak te bewaken. Onderzoekswensen van de verdediging wegen zwaar, gezien de onderzoeksovermacht van politie en OM.

Dat de journalist tenslotte ruimte kreeg om die vragen niet te beantwoorden is een goede uitkomst. Uiteindelijk kan het medium zelf het best beoordelen of de informatie die wordt achtergehouden inderdaad de uitkomst van het proces had kunnen veranderen en dus toch bekend had moeten zijn.

Of dit incident blijvende betekenis heeft staat nog te bezien. De felle reactie van de beroepsgroep liet zien dat men zich snel bedreigd voelt. En overigens de omvang van het verschoningsrecht niet paraat heeft. De beschikking van de RC was daarvoor ook te summier. Tegelijk dient de journalistiek nuance en perspectief te bewaren. Ook het strafproces richt zich op waarheidsvinding – dat is geen persmonopolie. Dit incident bewees verder de geringe effectiviteit van gijzeling en maakt herhaling nóg minder waarschijnlijk. Dat er wel degelijk omstandigheden zijn waarin de journalist toch moet en ook mag praten, is weinig bekend. Wie op de hoogte raakt van terreuraanslagen of de verblijfplaats van ontvoerde personen, komt behalve in gewetensnood ook in een beroepsdilemma. Dan is de grens met schuldig medeweten en medeplegen zo dun, dat een geheimhoudingsafspraak mag vervallen.