Opinie

Na de doorbraak komen de ‘mannetjes’

Rosanne Hertzberger

Ik wil u iets voorleggen. Een probleem waar ik mee worstel. Stel, je hebt tijdens wetenschappelijk onderzoek een vondst gedaan waarvan je vermoedt dat het mensen echt kan helpen. Daarbij moet ik wel zeggen dat ik elke week denk zo’n vondst te hebben gedaan. Ik lijd aan de academische variant van het Messias-complex. Ik heb last van chronische grootheidswaanzin en oefen al jaren op mijn speech bij de Nobelprijs-uitreiking.

Maar goed, stel nou dat ik op een mooie dag echt iets in handen heb dat de wereld zou kunnen veranderen. Wat doe ik dan?

Stap één van het standaard valorisatieplan is: octrooieren. Het eerste wat je moet doen, is een groot hek om je vondst plaatsen. Mine mine mine. Je moet bedenken welke toepassingen er allemaal voor kunnen bestaan, en al die toepassingen opsommen in een lang onleesbaar document dat ‘patent’ heet.

Stap één betekent ook dat je je mond moet houden. Je mag niets van de sociale media-daken schreeuwen, op een congres presenteren of op een poster afdrukken, laat staan in collegezalen aan studenten meedelen. Vanaf het moment dat je gaat octrooieren, moet je iedereen als een potentiële dief van jouw intellectueel eigendom zien.

Het betekent dus ook een tijdelijke pauze in de droom van een opener, transparantere manier van wetenschap bedrijven. Juist wanneer het ertoe doet, wanneer het urgent en belangrijk wordt, gaat de wetenschap ondergronds.

Dat is niet het enige nadeel van een mogelijk nuttige vondst. Zo’n vondst betekent ook dat er een mannetje – altijd een mannetje – bij je team moet om de ‘business’-kant te doen. Zo’n mannetje dat zijn pappenheimers kent en niet ophoudt te benadrukken wat jouw beperkingen en zijn sterke punten zijn. Wij wetenschappers hebben tenslotte geen verstand van kapitaal en geen marktinzicht, wij moeten lekker in het lab blijven en doorpipetteren. Dan bouwen de mannetjes er wel een ‘business case’ omheen en hangen ze een mooi prijskaartje aan de vondst.

Er zullen vast en zeker veel uitzonderingen op de regel zijn, maar in de praktijk zie ik het vaak zo gebeuren. Een van de belangrijkste vooruitgangen in mijn vakgebied bleef tien jaar lang een soort gerucht, doorgefluisterd in de wandelgangen, terwijl niemand precies de details kende. Afgelopen zomer mocht het, nadat het aan alle kanten juridisch en financieel en bedrijfstechnisch was dichtgetimmerd, het daglicht zien.

De droom is natuurlijk om zo’n vondst gewoon meteen online te gooien. Een tweet, een preprint. Het zou patenteren gegarandeerd bemoeilijken. De kennis is dan van niemand en dus van iedereen.

En toch doe ik het niet. Want er is een heel gemeen klein rotargumentje vóór afbakening van intellectueel eigendom. En dat zijn de financiers. Die weigeren, volgens iedereen die ik ernaar vraag, categorisch om ook maar een cent te steken in iets dat van iedereen is. Ze zeggen er nog net geen ‘mevrouwtje’ bij.

Geen financiering betekent geen grote klinische studies die noodzakelijk zijn om de vondst in de kliniek te brengen. Het betekent in feite dat jouw vondst helemaal niets gaat veranderen. Het blijft hoogstens voortbestaan in wetenschappelijke tijdschriften met zogenaamd hoge impact, zonder dat het ook maar één mensenleven positief zal beïnvloeden. Dat is het nachtmerrie-scenario.

Dit argument dreigt mij nu te overtuigen. De Messias-wanen maken plaats voor een stevige dosis realiteitszin. Kennis gaat de wereld niet redden. Je moet pitchen en borrelen, en mannetjes met geld geïnteresseerd krijgen. Sterker nog, het is je plicht om het te doen om de kans zo groot mogelijk te maken dat jouw vondst van echte waarde wordt.

De kosten van de route zijn hoog: het betekent een tijdelijk einde aan transparantie en bemoeilijkt samenwerkingen. Vanaf dat moment heb je een waslijst aan ‘competing interests’ te presenteren, bij elke stap in de wetenschap die je daarna zet. Het betekent bovenal dat je van lieve onderzoeker een gehaaid ondernemer moet worden. Iemand tegen wie ik standaard een gezond wantrouwen koester.

Moet het zo? Kan het anders? Ik hoop het en sta open voor uw suggesties.

Rosanne Hertzberger is microbioloog.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.