Opinie

Een week geprolongeerd wegens grote belangstelling: de voorstelling Stijlboek

De ombudsman

Dan moet je maar niet over taal beginnen, ombudsman. Er dienden zich de afgelopen week meer zaken aan om over te schrijven – met name de scoop van de krant over de gevolgen van een Nederlands bombardement in Irak. En, ter zijde: de bespreking van een onthullend boek over Johan Cruijff door … de auteur van het boek (nee, geen goed idee, boeken van medewerkers laat je bespreken door iemand ánders). Op beide kom ik terug.

Maar eerst een reprise. Veel lezers reageerden op mijn rubriek van vorige week over het nieuwe Stijlboek van de krant. Enkele tientallen abonnees schreven met vragen, suggesties en opmerkingen. Geen wonder, want een krant is er ondanks het uitbundige illustratiebeleid dat de meeste voeren, nog altijd om gelezen te worden. De reacties zijn ook een goede herinnering aan de respons (een woord dat hij vermoedelijk zou hebben verafschuwd) die columnist J.L. Heldring steevast kreeg als hij schreef over taal; lezers verwijzen nog naar hem.

Ik besprak de reacties met eindredacteuren Hans Wammes en Pepijn Hendriks, opstellers van het geactualiseerde (en afgeslankte) Stijlboek. Dat is nog niet openbaar – al is het wel de bedoeling dat dit binnenkort gebeurt.

Onder de klassiekers vallen kwesties als „niet het minst” (dus: helemaal niet) en „niet in het minst” (dus: vooral door), die onlangs weer verhaspeld opdoken in een column. Het Stijlboek voorziet in uitleg, al wijst Wammes op een probleem dat buiten de competentie van de eindredactie valt: je zoekt pas iets in het Stijlboek op als je het niet zeker weet. Kortom, iets minder linguïstisch zelfvertrouwen bij auteurs zou de praktijk waarschijnlijk ten goede komen.

En waarom, vraagt een lezer, werd een gedeputeerde bij het boerenprotest geciteerd met de term „draachflak”? Om hem belachelijk te maken? Nee, zegt Wammes, dat was niet de bedoeling. Je kunt spreektaal en gebrekkig geschreven Nederlands soms letterlijk citeren, als het een functie heeft. Maar in de regel helpen journalisten hun gesprekspartners om zich uit te drukken; de tekst van een interview is bijna nooit letterlijk letterlijk. In dit geval was het nog weer anders: deze gedeputeerde was lid van de Fryske Nasjonale Partij, en die heeft in de Randstad misschien geen draagvlak maar in Friesland wel aanzienlijk draachflak.

Een andere lezer vindt dat de krant te veel meegaat met de modes door blank te vervangen door wit. Maar dat is niet het geval; NRC laat de keus open. Overigens, zó’n innovatie is wit nu ook weer niet, al in de jaren negentig schreef ook deze krant over zwarte en witte scholen (‘blanke scholen’ zou curieus zijn). Je kunt je dus voorstellen dat blank soms gebruikt blijft worden als fysieke beschrijving en wit naast het gangbare zwart de standaardterm wordt in artikelen die over diversiteit gaan.

Handhaaft het Stijlboek het bedreigde onderscheid tussen leraar en onderwijzer, vraagt een oud-leerling van het Canisiuscollege te Nijmegen bezorgd. Jazeker, daarin is voorzien. De algemene, gespierde term is leerkracht, met als deelverzamelingen de leraar (voortgezet onderwijs) en onderwijzer (basisonderwijs).

In een Nederlands-Engels lezersgezin is de huiselijke vrede, toch al onder druk van de Brexit, verder verstoord door het irritante lidwoord dat NRC er telkens maar weer aan toevoegt: „de” Brexit. Weg met die continentale bemoeienis met een Brits begrip! Het Stijlboek geeft hier geen regels voor. Maar, zeggen de eindredacteuren, in het Nederlands hoort hier een lidwoord bij; het gaat tenslotte om „de exit” (het vertrek) uit de Europese Unie. Kortom, ook die huiselijke twist is nog lang niet beslecht.

Over Engels gesproken: wanneer houdt de krant nu eens op met het trumpiaanse machowoord deal, vraagt een lezer. Er zijn tal van goede Nederlandse woorden voor: afspraak, akkoord, overeenkomst. Ik onderschrijf dat van harte, net als Wammes, maar vrees dat het te laat is: mij staat een geïrriteerd met zijn pen tikkende NRC-hoofdredacteur bij die staande een redactievergadering in 1993 (!) klaagde over het oprukken van de tikje ordinaire term – en kijk nu eens. Toch blijft het goed als de redactie ook die Nederlandse woorden proeft.

Fijnproeveralarm: deze is alleen voor wie een vergrootglas bij de hand heeft. Eén lezer is opgevallen dat in de krant vaak een aanhalingsteken staat waar een apostrof hoort (dus niet ’s nachts, maar ‘s nachts). Hoe zit dat? Hier gaan we niet de krochten in van de stijl, maar die van het redactionele systeem. Het systeem waar de redactie mee werkt, herkent een beginapostrof niet, en maakt er automatisch een aanhalingsteken van waar een citaat mee opent (in ‘enkel Engels’). Dat moet de redacteur maar net opvallen én hij of zij moet het handmatig veranderen. Lastig. Komt nog bij dat stukken vaak geschreven worden in Word, waardoor bij het omzetten leestekens zomaar van kleur kunnen verschieten. Poëzie is er niks bij – het blijft natuurlijk goed om hier op te letten.

Meer filosofische hoofdbrekens kost het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht. Want, merkt een lezer op, als de krant niet meer spreekt van „vrouwenvoetbal” maar van „voetbal voor vrouwen”, waarom dan nog wel van „homohuwelijk”? Wees consequent! Ja maar, tobt Wammes, de analogie is niet perfect, want in het voetbal bestaan – in tegenstelling tot in het huwelijk, in elk geval formeel – geslachtelijk gescheiden competities en zelfs wereldkampioenschappen.

Dat maakt het extra urgent om aan te geven dat het niet gaat om twee soorten voetbal. Bij het huwelijk ligt dat misverstand veel minder op de loer, maar de opstellers van het Stijlboek snappen het bezwaar. „Homohuwelijk” houdt het idee in stand dat het om een ander huwelijk gaat. Kortom, iets om in een nieuw lemma voor te waarschuwen, al doet de krant niet aan verboden.

Dan de verliezers. Ondanks wat interne strubbelingen wordt de AVROTROS als enige omroep een kopje kleiner gemaakt tot AvroTros, conform de regel dat lange afkortingen alleen beginkapitalen krijgen als je ze als hele woorden kunt uitspreken. KRO-NCRV en BNNVARA blijven zo, omdat je ze letter voor letter uitspreekt.

Tot slot de K van Caïro. Hier zegeviert het Stijlboek, na jaren van loopgravenoorlog. De kaf van de Arabische naam voor Caïro (Al-Qahira) is in het Nederlands ook helemaal geen k, zoals buitenland-veteraan Carolien Roelants hier vorige week volhield, mailt een lezer, maar eerder een q. Dat beaamt Roelants, die er nog wel op wijst dat het dus óók geen c is.

Waarvan akte – met een k.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.