Recensie

Recensie Boeken

De schrijfster die besloot om in Italië een nieuw leven op te bouwen

Jhumpa Lahiri De Indiaas-Amerikaanse Lahiri woont nu in Italië, in een stad die nog niet de hare is. Ze schrijft daar poëtische fictie over alledaagse voorvallen waarin eenzaamheid nooit ver weg is.

‘Als eenling leven is mijn beroep geworden.’ De eenzaamheid van de buitenstaander is een bekend thema in het werk van Jhumpa Lahiri (1967). De Indiaas-Amerikaanse schrijfster, die doorbrak met verhalen en romans over het migrantenbestaan van Indiërs in het Westen, weet wat het betekent om nergens bij te horen. Zelf besloot ze een nieuw leven in een ander land op te bouwen. In 2011 verhuisde ze naar Rome, ver van Rhode Island waar ze opgroeide, en sinds een paar jaar schrijft ze in haar geadopteerde taal: het Italiaans. In die taal publiceerde ze nu ook de roman Waar ik nu ben.

In korte, schetsmatige stukjes vertelt Lahiri het verhaal van een naamloze vrouw in een anonieme Italiaanse stad. Ze werkt op de universiteit, is veel op zichzelf en zwerft geregeld door de stad. Ze spreekt vaak met de barista uit de buurt, heeft soms mensen op bezoek en ontmoet met enige regelmaat de echtgenoot van een goede vriendin; een man voor wie ze gevoelens koestert maar die geen oog voor haar lijkt te hebben. Ook ziet ze dezelfde, oudere filosoof op verschillende plekken opduiken, maar echt contact heeft ze niet. Voor haar zijn de anderen eerder figuren die een rol spelen in een toneelstuk, dan mensen van vlees en bloed.

De taal in Waar ik nu ben is poëtisch, Lahiri schetst miniaturen van alledaagse gebeurtenissen. Sommige momenten ontroeren, maar halverwege het boek begint de afstandelijkheid – de eenzaamheid van de ik-persoon neemt de overhand – wat monotoon te worden. Toch schuilen er kleine lichtpuntjes in die eenzaamheid, zoals het moment waarop de hoofdpersoon intens geniet van een eenvoudig broodje dat ze eet in de speeltuin. ‘Genietend in de zon, lijkt het wel heilig voedsel, en ik weet dat deze wijk van me houdt.’

Bovendien schuilt er een lijn in de korte fragmenten; langzamerhand wordt duidelijk dat die tergende eenzaamheid voortkomt uit een verknipte jeugd. De hoofdpersoon, met een ongelukkige moeder (‘ontevreden zolang als ze getrouwd was, cynisch als weduwe’) en een vader die zich afkeerde van de wereld, heeft geen kans gekregen zichzelf als kind te uiten.

Het resultaat is een vrouw die zich uiterst ongemakkelijk door de wereld begeeft. Samenvallen met wie ze zou willen zijn lukt haar niet. Ze is slechts de observator van haar leven. Tijdens een heerlijk etentje aan het strand, waar borden vol antipasti worden geserveerd, constateert ze: ‘Ik eet. Ik drink [...] Ondanks dat we zo bij elkaar zitten heb ik het idee dat ik los sta van de groep, dat ik ben buitengesloten van de bestendige, onontbeerlijke banden die zij hebben.’

Met dat onbestemde gevoel schuift ze door de stad, zoekend naar een wereld die niet de hare is. Een van de mooiste zinnen, die samenvat waar haar tristezza vandaan komt, duikt twee keer op. ‘Ik sta weer te balanceren, houterig op die stronken uit mijn kindertijd, op de rand van de afgrond.’ Het is die leegte, die deel uitmaakt van haar wezen, waardoor ze de wereld niet kan omarmen. Ze wankelt, telkens, zonder te vallen, zonder rechtop te kunnen staan. En al weten we niet wie deze vrouw is, zo heeft Lahiri toch tot haar kern weten door te dringen.