Recensie

Recensie

Een teleurstellende briefwisseling tussen moeder en dochter Mathijsen

Maand van de geschiedenis Deze briefwisseling gaat over de verhouding tussen de seksen. Een leuk uitgangspunt, want de jongere generatie feministen is radicaler dan de oudere.

Waarom noemt haar moeder zich eigenlijk geen feminist, vraagt schrijfster Alma Mathijsen (1984) zich af – zij wil toch óók gelijke kansen voor mannen en vrouwen? Ze stelt de vraag in Niet schrikken mama, het essay van de Maand van de Geschiedenis (thema: Zij/Hij). Het genre ‘essay’ is voor de gelegenheid zo opgerekt dat een correspondentie er ook onder valt. Mathijsen wisselde brieven uit met haar moeder, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen (1944), die zich dus ondanks haar leven als geëmancipeerde vrouw – ze ‘werkte vreselijk hard en was veel van huis’, in Alma’s woorden – geen feminist wil noemen. Ze heeft immers nooit met een spandoek rondgelopen.

De briefwisseling gaat over de verhouding tussen de seksen. Een leuk uitgangspunt, want de jongere generatie feministen, waartoe Alma zich rekent, is radicaler dan de oudere. Vroeger streed men voor gelijke rechten, nu voor het loslaten van de categorieën überhaupt, kort gezegd. Of in Alma’s woorden: ‘Ik hoop dat geslacht over twintig jaar losgekoppeld is van gender. Dat iedereen zelf mag kiezen en dat het niet uitmaakt of je geboren bent met een piemel, vulva of wat dan ook.’ Voor Marita gaat dit te ver: ‘Je bent toch gewoon meisje of jongen.’

Meningsverschillen zijn er genoeg, maar wie hoopt op een zorgvuldig uitpluizen ervan, wordt teleurgesteld. De briefwisseling is nogal asymmetrisch. Alma stoort zich aan haar moeders ‘ouderwetse’ standpunten en vervalt daarom voortdurend in recalcitrant gedrag, dat ze ook als zodanig benoemt: ‘O god, dit gaat mis. Dit lijkt in een tweestrijd te ontaarden. Dat doet me te erg aan mijn puberteit denken.’ En in een andere brief: ‘Sorry dat ik af en toe een beetje klink als je puber. Ik merk dat ik opstandig word als ik je moet tegenspreken.’ Soms geeft ze haar moeder zelfs een standje: ‘Zou je uitdrukkingen als „tussen de oren” niet meer zo blasé willen gebruiken?’

Marita reageert tamelijk mellow op deze aanvallen en terechtwijzingen. In plaats van zich te verdedigen of in de tegenaanval te gaan, brandt ze graag los in minicolleges over vrouwen in de geschiedenis, die op zichzelf interessant zijn, maar niet helpen om een beter beeld te krijgen van hoe ze zich verhoudt tot Alma’s radicale feminisme.

De lezer komt dus vooral veel niet te weten. Je zou aan Alma willen vragen: waarom is het zo erg als een categorie als ‘man’ of ‘vrouw’ niet perfect om je heen past? Maar dat vraagt haar moeder niet. Ze vraagt ook niet wat we moeten met alle mensen die wél hechten aan dit soort categorieën. Omgekeerd komen we van Marita ook niet echt te weten wat ze van deze kwesties vindt. Ze beschrijft wat ze online heeft gelezen over verschillen tussen mannen- en vrouwenhersenen, en daarna gaat het weer ergens anders over.

De intimiteit tussen moeder en dochter, die van toegevoegde waarde had kunnen zijn, blijkt zo juist een belemmering: echt polemisch wordt het niet. Ongemakkelijk is het af en toe wel. ‘Ik moet zeggen dat opgroeien met jou soms best lastig was’, schrijft Alma bijvoorbeeld. ‘Eerst was ik te dun, daarna mocht ik niet net zo dik worden als mijn tantes.’ Even later vraagt ze haar moeder naar een lesbische escapade die zij misschien heeft gehad. Die antwoordt dat ze dat ‘geen onderwerp voor dit essay’ vindt. Kennelijk vonden de auteurs én de eindredacteur het toch de moeite waard om dit te laten staan. De vraag is: waarom? Om de briefwisseling spontaan te laten overkomen? Maar op andere momenten is die spontaniteit juist afwezig, bijvoorbeeld wanneer Alma schrijft over ‘[e]en plek vlakbij Belfeld, jouw ouderlijk huis, waar we elk jaar nog een paar keer komen’. De uitleg is duidelijk voor de lezer bedoeld.

Brieven als essay, het is een leuk experiment, maar helemaal geslaagd is het niet.