In elke Amsterdamse straat huisde de oorlog

Bezet Amsterdam, 1940-1945 Overal in Amsterdam bevinden zich sporen van de oorlog, ook onzichtbare; in Atlas van een bezette stad zijn ze allemaal terug te vinden. Het monnikenwerk door de auteur leverde een monument op. En een reis terug naar de oorlogsjaren.

Uiterst links: Dam 9 (destijds Warmoesstraat 187-205): in augustus 1940 opende in het Polmanshuis, nu onderdeel van hotel Krasnapolsky, een Wehrmachtheim. Daarnaast: Duitse soldaat op wacht voor de Ortskommandantur op het Museumplein. Rechts: kaart van Publieke Werken uit 1942, gemaakt bij het onderzoek naar de vorming van een getto, die laat zien welke instellingen voor de hele stad en welke alleen voor de wijk van belang waren.
Uiterst links: Dam 9 (destijds Warmoesstraat 187-205): in augustus 1940 opende in het Polmanshuis, nu onderdeel van hotel Krasnapolsky, een Wehrmachtheim. Daarnaast: Duitse soldaat op wacht voor de Ortskommandantur op het Museumplein. Rechts: kaart van Publieke Werken uit 1942, gemaakt bij het onderzoek naar de vorming van een getto, die laat zien welke instellingen voor de hele stad en welke alleen voor de wijk van belang waren.

‘Het verbluffende aan de Jodenvervolging in Amsterdam is dat het decor er nog staat”, zegt schrijver en historica Bianca Stigter (55), redacteur van deze krant. Zojuist is van haar hand Atlas van een bezette stad. Amsterdam 1940-1945 verschenen, een monumentaal boekwerk dat de verhalen vertelt achter duizenden adressen die met de oorlog zijn verbonden, van het Achterhuis tot kunstenaarssociëteit De Kring op het Leidseplein, van de Hollandse Schouwburg tot de inmiddels afgebroken huizen aan de Jodenbreestraat en omgeving. Het rijk geïllustreerde boek is een topografisch gedenkteken voor Amsterdam tijdens de Duitse bezettingsjaren. Eerder verscheen Bezette stad. Plattegrond van Amsterdam 1940-1945 (2005), waarvan de Atlas een uitgebreide en rijk geïllustreerde herdruk is.

kaart van Publieke Werken uit 1942, gemaakt bij het onderzoek naar de vorming van een getto, die laat zien welke instellingen voor de hele stad en welke alleen voor de wijk van belang waren. Kaart uit Atlas van een bezette stad

Stigter: „Ik ben, denk ik, geboren met een sterke historische verbeelding. Ik vroeg me al heel lang af wat er tijdens het Duitse schrikbewind gebeurde in al die huizen, scholen, op zolderkamers, in scholen en gebouwen. Op 15 mei 1940 trekken de Duitse troepen over de Berlagebrug de stad binnen. Opeens verschenen er pantserwagens op de Dam, bij het stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal. Heel Amsterdam kent plekken die met de oorlog zijn verbonden, bekende en onbekende. In deze Atlas heb ik de geschiedenis van die plaatsen achterhaald, uitgezocht wat er gebeurde, wie er woonden, zowel Joden, burgers als verzetsstrijders; waar de razzia’s plaatsvonden, waar de Joodse Raad kantoren had, waar de Duitse instanties en de gaarkeukens zich bevonden.”

Het zijn vragen waarvan de antwoorden zich achter de gevels van de huizen als het ware schuilhouden. „Het verschil tussen het eerder verschenen Bezette stad en deze Atlas is het aantal toegenomen bronnen waaruit ik kon putten”, aldus Stigter. „Belangrijke nieuwe studies zijn toegankelijk, bijvoorbeeld over de verzetsgroep Groep 2000, geleid door Jacoba van Tongeren; over Joodse artsen en over de NSB. Hierdoor kon ik veel nieuwe adressen toevoegen. Ook zijn sinds 2005 dankzij de Koninklijke Bibliotheek vrijwel alle kranten en tijdschriften uit de oorlog gedigitaliseerd, van Het Joodse Weekblad tot verzetskrant Het Parool. Zelfs kon ik de Deutsche Zeitung in den Niederlanden raadplegen, de bezettingskrant bestemd voor Duitsers en Nederlanders. De krant was destijds het belangrijkste medium. Veel adressen die samenhangen met de Jodenvervolging staan in de kranten, later vooral in het Joodse Weekblad.”

De feiten zijn vaak schokkend. Zo werkte de Amsterdamse politie in 1942 een maand lang mee aan het ophalen van de Joden die op transport werden gesteld naar Westerbork. Plaats van handeling was bijvoorbeeld de grote razzia van 20 juni 1943 op het Olympiaplein.

Beruchte Stippenkaart

Na lezing van dit boek kun je niet meer in alle onwetendheid en argeloosheid het oude stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal passeren: op 15 mei 1940, de dag van de inval, biedt een gemeenteambtenaar een plattegrond van de stad aan aan de Duitse commandant Major Brückner. Die plattegrond werd gevolgd door de beruchte Stippenkaart uit 1942, waartoe nationaalsocialist Hans Böhmcker, vertegenwoordiger van Seyss-Inquart in Amsterdam, opdracht gaf aan ambtenaren van Publieke Werken. Op de kaart vertegenwoordigt elke rode stip tien Joden. En in 1941 was al de ‘vlekkenkaart’ uitgegeven, ook met dichtheid van de aantallen Joden.

Stigter: „Die kaarten waren bedoeld om te zien of en waar in de stad een getto kon worden gevestigd. Het gemeentebestuur was daar overigens tegen, omdat tramlijnen moesten worden omgeleid en christenen verhuizen. Ook zouden instellingen onbereikbaar zijn, zoals de brandweer en Artis. En juist in Artis kwamen de Duitse soldaten graag. Ik kijk op microniveau naar deze kaarten op zoek naar kleine persoonlijke verhalen.”

In Oud-Zuid is oorlog nog zichtbaar

In het huidige Oud-Zuid rondom de Gerrit van der Veenstraat, toen de Euterpestraat, stonden vele tientallen rode stippen. Nog steeds is de oorlog daar zichtbaar. De Van der Veenstraat is al in mei 1945 vernoemd naar een van de leiders van het Nederlands verzet, Gerrit van der Veen, die onder meer de aanslag op het bevolkingsregister in de nacht van 27 maart 1943 organiseerde. Stigter vertelt en wijst aan, terwijl we door de wijk lopen: „Wat me al die dagen, weken, maanden leerde dat ik onder meer op internet op zoek was naar die beladen adressen is dat de bezetter, het verzet en ook de verraders van de Joden zo onvoorstelbaar dicht op elkaar leefden. In de Van der Veenstraat was de Sicherheitsdienst, de SD, in oorlogstijd een berucht adres. Maar ook zaten in deze zelfde straat onderduikers.”

Duitse soldaat op wacht voor de Ortskommandantur op het Museumplein. Foto uit Atlas van een bezette stad

We doorkruisen de Abrecht Dürerstraat. Stigter wijst op huisnummer 14 dat met grote, witte letters op het baksteen is geschilderd naast de voordeur: „Dat nummer is aangebracht wegens de verduistering, de bestaande adresplaatjes waren meestal in kleine letters. En die kon niemand in het donker lezen. Als ik dit zie krijg ik een gevoel dat de ‘historische sensatie’ heet, om met Huizinga te spreken: je bent opeens dichtbij het verleden. In dat opzicht is mijn boek een tijdreis – een reis terug naar de oorlogsjaren.”

Stigter maakt uitsluitend gebruik van geschreven bronnen en documenten uit die tijd. „Via het Stadsarchief kon ik bijvoorbeeld bevolkingskaarten en politierapporten inzien, het digitaal beschikbare Joods Monument bood me inzage in duizenden namen en adressen, de gedigitaliseerde kranten staan op de site Delpher van de Koninklijke Bibliotheek en natuurlijk heb ik een hele bibliotheek met boeken over de Tweede Wereldoorlog. Maar ik ben niet bij de huidige bewoners van de adressen langs gegaan en heb niemand die de oorlog meemaakte geïnterviewd. Ik laat de feiten voor zich spreken en laat de bronnen de emoties oproepen.”

Na dit boek kun je niet meer in alle onwetendheid het oude stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal passeren

We komen in de Jan van Eijckstraat, allemaal onschuldig ogende huizen. Dat is nu. Maar toen? Op nummer 22/1 woonden Bernard Duizend, zijn vrouw Erica Duizend Prins en hun tweeling. Ze werden, evenals bijna alle bewoners van het huis, gedeporteerd en vermoord. In 1943 ging de NSB’er Tonny Ahlers wonen in het lege huis van de familie Duizend. In 1944 betrok de SD’er Maarten Kuiper een kamer op dit adres. Hij was een van degenen die de bewoners van het Achterhuis op 4 augustus 1944 oppakten. Ook was hij betrokken bij de executie van verzetsvrouw Hannie Schaft op 17 april 1945. Na de oorlog kreeg Kuiper de doodstraf, hij werd op 30 augustus 1948 in Fort Bijlmer doodgeschoten. Zomaar een willekeurig adres, met zoveel beladenheid.

En dan nummer 19, waar een Expositur ofwel filiaal van de Joodse Raad was gevestigd. Stigter schrijft: „Joodse leden van de Ordedienst uit Westerbork verbleven hier tijdens hun assistentie bij razzia’s in 1942.” Op nummer 20 huis was de praktijkwoning van oogarts Jacob Pinkhof gevestigd. Op 19 september 1942 pleegde hij met zijn gezin zelfmoord. Hun lichamen werden gevonden in de keuken, maar Jacob leefde nog. Diezelfde dag overleed hij in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis. Zijn zus Clara Asscher-Pinkhof schreef in haar memoires: „Hij woonde tegenover het Duitse hoofdkwartier waar dag en nacht overvalwagens voorreden om hun geroofde mensenlading uit te braken. De kreten en de schreeuwen, van mishandelde en mishandelaar, drongen – vooral ’s nachts – ononderbroken tot hen door. Als er toch nog Joden werden vrijgelaten, zochten ze toevlucht bij het gezin van mijn broer. Nacht na nacht.”

Kaart uit Atlas van een bezette stad

Om de hoek, de Rubensstraat 26: hier werd de Duits-Joodse verzetsman Gerhard Badrian op 30 juni 1944 doodgeschoten. Hij werd verraden door de beruchte Joodse V-Frau (Vertrauensfrau) Betje Wery. Badrian werd naar dit adres gelokt omdat zij een onderduikadres voor hem had. Daar liep hij in een hinderlaag.

Dankzij de feitelijke, gedistantieerde schrijfstijl is de impact van de Atlas groot, als een ooggetuigenverslag. „Toch is de oorlog in mijn familie dichtbij”, zegt Stigter. „Mijn grootvader langs moederszijde is de dichter Ed Hoornik die voor de oorlog trouwde in Duitsland met een Duitse vrouw, die hij ontmoette op een tennisbaan. Ze heet Elisabeth Nussbaum. Haar broer sneuvelde later aan het Oostfront. Hoornik was betrokken bij het verzet en werd op 26 mei 1944 via Kamp Vught overgebracht naar concentratiekamp Dachau. Hij overleefde. Mijn vader is schrijver K. Schippers, die de oorlog doormaakte in de Van Speijckstraat.”

Het valt Stigter niet altijd mee te ontsnappen aan het verleden in de hedendaagse tijd. Haar dochter zat op het Gerrit van der Veen College in Zuid, voor de oorlog een gemeentelijke HBS voor meisjes. Tijdens de oorlog zetelde hier de SD. In de fietsenstalling waren cellen waar gemarteld werd. „Als ik er op ouderavond was, dacht ik altijd aan wat zich in die school heeft afgespeeld”, zegt ze.

In het begin van Atlas van een bezette stad licht Stigter een tipje van de sluier op waarom zij dit boek wilde schrijven. Deze persoonlijke notitie is in alle eenvoud beklemmend. In de straat waar zij woont, bij het Frederiksplein, zat een muzikant ondergedoken. Hij gaf drumles. Geluid mocht de les niet maken, en daarom sloegen leraar en leerling in de lucht. Stigter erkent dat ze zijn naam en huisnummer niet heeft weten te achterhalen, het verhaal zweeft nog. Maar „het was soms alsof ik het trommelen tijdens mijn speurtochten kon horen”.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.