Recensie

Recensie Boeken

Gedichten die de taal uit elkaar schroeven

Michael Tedja In de nieuwe bundel van Tedja bevind je je nooit op één plek of breuklijn tegelijk. Daardoor ervaar je de chaos van de werkelijkheid als geen ander.

Willem van Oranje door Adriaen Thomasz Key
Willem van Oranje door Adriaen Thomasz Key Foto Erich Lessing/HH

In Exclusief zet Michael Tedja (1971) onze wereld op scherp, zoals in het gedicht ‘Oranjeboven’. Hij schetst een grappig en schurend portret van Willem van Oranje, normaliter ’s lands trots, maar hier ook een allochtoon, een antiheld, een machine: ‘Het mechaniek had een vernietigende energie. / Willem van Oranje was ook nog eens zelfsturend.’

Tedja schopt in zijn poëzie het oriëntatiegevoel in de war door boven en onder inwisselbaar te maken, zoals hij het zelf formuleert in bovengenoemd gedicht. Maar inwisselbaar impliceert hier geen gebrek aan waarde of gemakkelijke nonchalance, eerder een opening om de chaotische werkelijkheid het gedicht binnen te laten.

In het gedicht ‘Grens’ bevinden we ons bijvoorbeeld op de grens tussen echt en virtueel. Maar in een gedicht van Tedja bevind je je nooit op één plek of breuklijn tegelijk. Wie zijn die ‘wij’ waarmee het gedicht opent? ‘Wij veroveren de ruimte. / Wij kijken achter de schermen. / Wij schermen met mooie woorden. / Wij zien dat woorden hoge muren zijn.’ Hoewel Tedja de ‘wij’ oningevuld laat, wijst hij wel een richting uit, wanneer de nacht donkerblond is en iedereen neonazi blijkt. Op zijn tijdlijn ‘skinheads zonder gezicht die denken dat zij niet ge-/ dateerd zijn.’ Het spookt er en deze stemmen zijn niet uit te roken. Dus wendt de dichter zich tot het papier: ‘Schrijven was een plek inruimen.’

Direct erna voegt hij de volgende elektriserende zin toe: ‘Dichten moord.’ Belangrijker dan de vraag op wie is de vraag waarom dichten moord is. Hij geeft zelf een aanwijzing: de taal waar de dichter mee speelt, is niet neutraal. Of heeft dat betrekking op de dichter zelf, vraagt hij zich hardop af. In ieder geval is taal ‘macht die bij voorkeur / verkeerd werd gebruikt’.

In Exclusief, opgedeeld in vijf verschillende fases van een onderzoek die bestaan uit een aantal gedichten die, net als voorganger Regen (2016), slechts één woord voor een titel toebedeeld krijgen, richt Tedja zich op die specifieke werking van taal en plaatst hij die tegen de achtergrond van onze tijd die, om te beginnen, gepolariseerd, chaotisch, online en beladen is.

Geen nieuws, deze clichématige karakteriseringen. We leven in een tijd ‘die terug bij af clichés met clichés bestrijdt’. En dan heb je iemand als Tedja, die de taal uit elkaar schroeft, zinnen op elkaar laat botsen, gewoon door de bundel heen terug laat keren en inwisselbaar maakt.

Dus is hij de pineut, zoals duidelijk wordt uit het gedicht ‘Teken’, in het midden van Exclusief. Dat opent met een binnenkomer: ‘Het schijnheil van mijn tijd valt mij continu aan.’ Ik spoel door naar het slot van het gedicht en ga honderd jaar terug in de tijd. Toen moest het schijnheil zelf het ontgelden: ‘De beweging die in het Zwitserland van 1916 ivoren torens aanviel. / Torens waarin het schijnheil van die tijd zetelde werden aangevallen.’ Nu zijn de rollen omgedraaid.

Zoals altijd heeft de dichter het laatste woord. Dat woord kan teder zijn, zoals in het ingetogen vers ‘Duister’, dat in dezelfde afdeling als ‘Teken’ opgenomen is. Tedja stelt het hart centraal en dicht:

Mijn hart gaat relaties aan. Die hangen aan dunne touwtjes. Aan de touwtjes hangen zinnen. Mijn hart spreekt in metaforen. Metaforen die ik onregelmatig in bedwang houd. De mensen eten het hart dat ik open. Als ik mijn hart opknoop blijft het voor eeuwig gesloten.

Het werkelijke laatste woord geeft Tedja in de toegift van Exclusief aan dichter Edgar Cairo. In zijn eigen vertaling: ‘Een wens die een gedicht is geworden. / Een wens die ons trots maakt, om te gaan waar ieder wil. / Titita, titita, titita! Wij zijn niet mooi. Wij spreken niet. / Wij zijn het woord.’ Misschien is dat wel de moord die Tedja bedoelt.