Een museumbezoek is als een kleine trip zonder drugs

Rust Museumbezoek werkt als een mini-retraite, schrijft Mariët Meester. Net als kerkgang, in een groots gebouw dat een zeker esthetisch genoegen biedt.

Foto Istock

Als het even kan, ga ik op zondag naar een museum. Soms lukt het een paar zondagen achter elkaar niet, dan voel ik me net de hoofdpersoon uit Het geluid van de berg, een roman van de Japanse schrijver Yasunari Kawabata. Het liefst zou hij af en toe zijn hoofd van zijn romp schroeven om het te laten schoonmaken en opknappen. Museumbezoek is voor mij een schoonmaakbeurt van de binnenkant van mijn hoofd, een kleine trip zonder drugs, een mini-retraite. Even stap je uit je gewone leven en wandel je in een afgesloten, meestal raamloze ruimte langs dingen die reflecteren op dat leven. Als het goed is kom je een beetje veranderd naar buiten, vaak met nieuwe plannen voor je eigen bestaan.

Maar hoe werkt dat dan, en waarom vooral op zondag? In het vernieuwde museum Naturalis in Leiden kreeg ik het begin van een antwoord. De ochtend begon op z’n zondags, op straat hing een andere, stillere sfeer. Doordeweeks heb ik na het opstaan al snel een bijna onbedwingbare neiging om mijn telefoon te pakken en berichten uit de buitenwereld te bekijken, op zondagen komt de gedachte niet eens in me op. Op zondag ben ik offline, een gewoonte die in de loop van de jaren in een vanzelfsprekendheid is overgegaan.

In Leiden beklom ik tussen ouders en kinderen de brede houten trap naar de tentoonstellingsruimtes. Even later liepen we door een donkere gang waar boven ons grote vissen zweefden. Er klonk dramatische muziek, een videoprojectie maakte duidelijk dat voor heel wat creaturen een school vissen vooral iets is om lekkere happen uit te nemen. Erna werden we langs een Grande Parade van opgezette dieren geleid, vooral zoogdieren die zorgvuldig waren uitgelicht. Nog steeds muziek, nog steeds duisternis. Alles was hier groots en geheimzinnig, als mens raakte je doordrongen van je eigen nietigheid.

Een verdieping hoger imponeerden skeletten van dinosaurussen met geraffineerde, bijna levensechte animaties erachter, geavanceerder leek vrijwel onmogelijk. Kan een kind nadat het hier is geweest nog ergens van onder de indruk raken, dacht ik even, totdat ik onverwachts terug was in mijn eigen jeugd, bij een vage herinnering die nog nooit eerder boven was gekomen. Ik kan 6 zijn geweest, misschien 7, en ik ging voor het eerst naar een museum. Een mevrouw vertelde dat zij de tentoongestelde spullen zelf had verzameld; schelpen, zeesterren, nog eens schelpen. En een zeepaardje. Of het dier even zorgvuldig was opgesteld als de dieren in Naturalis herinnerde ik me niet meer, ik herinnerde me vooral het ontzag dat dit wonderlijke wezen in me opriep, de verbazing dat er zo’n volmaakt schepseltje bleek te bestaan, een schepseltje met een interessante manier van leven en voortbewegen. Ja, verbazing, interesse, ontzag, dat moet er allemaal over me zijn gekomen. Hier in Naturalis mocht dan met paukenslagen worden geprobeerd onze ziel te bereiken, de meeste kinderen slaan in hun geheugen waarschijnlijk een egeltje op dat ergens in een hoekje stond of een opgezette kat die haast leek te ademen.

Wij hadden bossen, geen bioscopen. Gevangenissen, geen tentoonstellingen.

Van Zeemuseum Miramar in Vledder naar mijn tegenwoordige gedrag op zondag zou wel eens een rechte lijn kunnen lopen. De meeste mensen blijven hun leven lang op zoek naar de gelukservaringen uit hun jeugd, ik ben geen uitzondering. Een beroep kiezen, iets in je vrije tijd ondernemen, vrijwel altijd komt het erop neer dat we via een omweg toch weer onze mooiste momenten proberen te herhalen. En zo ga ik op zondag bijvoorbeeld naar het door vrijwilligers gerunde Vechtstreekmuseum in Maarssen. Naar De Pont in Tilburg of Huis Marseille in Amsterdam, allebei serene plekken waar ik me in mijn eigen tempo kan bewegen. Terwijl ik er langs het tentoongestelde loop, ben ik onbewust bezig om alles in het leven wat ingewikkeld is – en dat is nogal wat – in stilte te doorgronden, te ordenen en misschien zelfs te begrijpen. Wat er wordt geëxposeerd, bouw ik als het ware uit in mijn hoofd, iets wat museumbezoek vergelijkbaar maakt met het lezen van een boek. Bij een boek kun je ook veel zelf invullen, vaak meer dan bij collectief beleefde uitingen zoals in het theater.

Museum De Pont is een voormalige wolspinnerij waar je de lekkere lucht van schapenwol nog denkt te ruiken, Huis Marseille bestaat uit twee geschakelde, labyrintische herenhuizen waar voornamelijk fotografie wordt getoond. Vorig jaar bezocht ik er een tentoonstelling van Koos Breukel die me extra is bijgebleven doordat de begeleidende teksten zo goed waren. Teksten in musea willen nog wel eens pretentieus uitpakken, maar hier was voor de beschrijving van de foto’s van Breukels opgroeiende zoon Casper een literaire auteur gevraagd, Joris van Casteren, die voor het tegengestelde van gebral had gekozen.

Van het Rijksmuseum krijg ik ook niet snel genoeg, al kan het daar net als in sommige andere musea op zondag nogal druk zijn, het is er dan vooral voor elven goed toeven. Pauline Slot heeft in haar boek Museumbezoeking. Waarom wij naar musea gaan vermakelijk beschreven hoe ze in een populair museum voornamelijk stond te kijken naar achterhoofden. Maar ach, ik heb mijn Museumkaart, waarmee ik musea kan binnenlopen alsof het mijn huiskamers zijn. Valt het een keer wat tegen, dan sta ik ook zo weer buiten.

Maar waarom ga ik naar het museum op zondag en niet op laten we zeggen dinsdag of donderdag? Daar is een praktische reden voor: doordeweeks ben ik aan het werk. Maar er zit meer achter, en daarvoor moet ik terug naar de tijd van het zeepaardje.

In het Drentse dorp Veenhuizen, waar ik mijn kindertijd doorbracht, mag dan tegenwoordig het Nationaal Gevangenismuseum staan, vroeger was er niets te bekennen wat ook maar een heel klein beetje op een museum leek. Wij hadden bossen, geen bioscopen. Wij hadden gevangenissen, geen tentoonstellingen. Op zondag wandelden we in ons goeie goed naar de kerk, een achtkantig historisch gebouw waarvan de muren ons beschermend insloten. Een uur lang bleven we dan in dat afgesloten universum, een veilige cocon waarin de kroonluchter brandde en het pijporgel gorgelde.

Nadat ik op mijn veertiende had besloten dat het voor mij was afgelopen met het geloof, bleven mijn ouders het kerkje bezoeken. Pas recentelijk, toen ik een langere periode terug was in het dorp, begreep ik de aantrekkingskracht van kerkgang voor mensen die ermee doorgaan. Muziek, gezang, mysterieuze teksten die aan poëzie doen denken, op de kansel een soort stand-up comedian, na afloop hier en daar een keuveltje.

Foto’s Istock
Foto’s Istock

Naar de kerk gaan, in een groots gebouw dat een zeker esthetisch genoegen biedt, is voor veel kerkgangers hun culturele moment van de week, hun microvakantie waar je naar uit kunt kijken.

Fotograaf Sjaak Verboom maakte een serie portretten van kerkgangers in zowel hun dagelijkse als hun zondagse kledij, die te zien waren op de tentoonstelling Bij ons in de Biblebelt in het Utrechtse Catharijneconvent. In een interview vertelde hij dat de gefotografeerden helemaal openbraken zodra ze hun zondagse outfit hadden aangetrokken. Kennelijk associeerden ze die outfit met iets aangenaams. Ze gingen graag naar de kerk, waar het leven voor hen werd geanalyseerd en geduid. Zonde, ziekte, wereldse turbulentie: je kunt als mens nogal wat meemaken.

Toch komt het goed, bij de ene denominatie wanneer je je naaste zoveel mogelijk bijstaat, bij de andere pas nadat je bent overleden. Maar het komt goed, hoe dan ook komt het goed. De mensen op de foto’s in het Catharijneconvent liepen op zondag hun kerk weer uit en dachten: oké, dan kan ik het allemaal toch wel hebben, dan kan ik het bestaan toch wel weer tackelen. Iets moeizaams was omgezet in iets moois, als bij alchemie.

Net als kerkgenootschappen zijn ook musea vaak gevestigd in gebouwen die indruk maken. Op het moment dat je er binnengaat, stop je automatisch met lachen of roepen. De misdienaars die je aantreft zien meteen dat jij bij de congregatie hoort: je toont ze immers je toegangskaart. En dan mag je het heiligdom betreden, waar je je respectvol zwijgend door de zalen begeeft. Dat laatste heb ik zelfs eens meegemaakt bij een uitkijktoren, een reusachtig houten object aan de rand van het Drents-Friese Fochteloërveen. Het was een warme zomerdag, samen met mij kwamen er behoorlijk wat andere mensen aanzetten. Allemaal begonnen ze bij het naderen van de toren te fluisteren alsof het een kapel was, iets van een hogere orde. Net als ik waren ze er eerder geweest, ze wisten dat ze na het betreden van de muil van het bouwwerk tussen raamloze wanden een serie trappen zouden beklimmen. Boven werd hen dan, als in een museum met maar één schilderij, een omkaderd uitzicht geopenbaard, zo geniaal als je het nooit en te nimmer zelf zou kunnen maken.

Er is een museum waar ik het liefste naartoe ga. In het Eye Filmmuseum aan het Amsterdamse IJ is het in de zalen voor tijdelijke tentoonstellingen altijd schemerig, wat het makkelijker maakt om je onverdeelde aandacht te geven. Je bent er in een onderwereld, een voor jou gecreëerde onderwereld waar de andere bezoekers, het zijn er nooit te veel, als schimmen om je heen cirkelen. De conservator stelt tentoonstellingen samen waarin een beeldend kunstenaar met filmische middelen het persoonlijke met het grotere verbindt. Als kijker verhoud je je er tot één ander mens, iemand die zijn talenten heeft aangeboord en jou naar het resultaat laat kijken. Je mag met hem meereflecteren, hij – een ‘zij’ is het in het Eye tot nu toe nooit – heeft voor bepaalde knelpunten een vorm gevonden die jou op de een of andere manier soelaas biedt. Iets is vreselijk en er wordt humor van gemaakt, iets anders is ook vreselijk en wordt omgezet in schoonheid; over alchemie gesproken. Een bezoek aan het Eye is voor mij een onderdompeling in een andere dimensie. Beter dan pillen, beter dan therapie. Je krijgt er ijkpunten aangereikt uit het grote culturele bad dat wij als mensheid samen hebben gemaakt, en waardoor we allemaal zijn beïnvloed, geverfd en ingevuld.

Foto’s iStock/bewerking NRC
Foto’s Istock

Laatst bezocht ik in het Eye de tentoonstelling over de Russische filmmaker Andrei Tarkovsky die nog tot 6 december duurt. Het was overweldigend. Geprojecteerde fragmenten van de zeven speelfilms die Tarkovsky heeft kunnen maken waren gecombineerd tot meerschermige video-installaties. Een langzame, glijdende cameravoering. Tarkovsky zoomt ergens traag op in, verkent vage plekken. Een jongetje van twaalf leeft deels in dromen waarin hij kan vliegen, deels in de realiteit waarin hij vooruit moet komen door zompig moerasland. Ruige Russen worstelen door een rioolbuis, soms in kleur, soms in zwart-wit. Ik zag een huis branden, zat afwisselend in de Sovjet-Unie, Zweden en Italië.

Lees ook: Hoe Instagram het museum verandert

Toen ik het museum verliet bleek het bijna vijf uur later te zijn. Op het IJ waren twee vissers in een bootje aan het vechten met hun hengels en met de golfslag; grauwe, gelooide kerels voor wie er alles aan gelegen was om een beest uit het water omhoog te trekken. Thuis liet de buurvrouw in haar deuropening een fles limonade vallen, de vlek vocht verspreidde zich in schuivende, sferische beelden. Doordat Andrei Tarkovsky mij toegang tot zijn wereld had gegeven, was die van mijzelf wijder geworden, breder, rijker. Hij had me onvermoede zijwegen leren kennen, aan mijn eigen stam waren uitlopers gekomen.