Boodschappen uit de Russische bodem

Geschiedenis Uit de klei van Novgorod komen eeuwenoude briefjes op berkenbast naar boven. Slavist Jos Schaeken schreef er een boek over. „Men schreef zoals men sprak.”

„Brief van Zjirotsjko en van Tesjko aan Vdovin. Zeg tegen Sjiltse: ‘Waarom neuk jij andermans varkens? Nozdrka heeft dit rondverteld. Je hebt de hele Ljoedinwijk te schande gemaakt. En er is een brief van de overkant. Die ging over paarden, dat je daar hetzelfde mee hebt gedaan.’”

Deze opmerkelijke beschuldiging is een van de meer dan duizend middeleeuwse tekstjes die de afgelopen zeventig jaar in Novgorod, een van de oudste steden van Rusland, bij opgravingen zijn teruggevonden. De tekstjes zijn geschreven (ingekrast) op strookjes berkenbast. Dat materiaal is in de zuurstofarme, zure bodem van Novgorod mooi bewaard gebleven. De teksten hebben de eeuwen wonderwel overleefd.

Meestal gaat het om korte brieven die genoeg hebben aan een paar krachtige zinnen. „Van Kosnjatin aan Zjdan. Betaal Stepanets vóór Kerstmis. Betaal je niet, dan zul je bij de deurwaarder twee keer zoveel kwijt zijn.” Vaak betreft het zakelijke kwesties. Maar niet altijd: „Van Mikita aan Malanija. Trouw met mij. Ik wil jou en jij mij. En Ignat Moiseev is getuige.” Soms moet de hedendaagse lezer gissen naar de exacte betekenis of bedoeling. Zoals in dit briefje van slechts één zin: „Kom naar het roggeveld of stuur bericht.” Wat was er negen eeuwen geleden in dat roggeveld te beleven?

Jos Schaeken, hoogleraar Slavische en Baltische talen, heeft nu, als eerste, een Engelstalig boek geschreven over deze teksten. „Omdat de berestologie buiten Rusland te weinig bekend is”, zegt hij. Berestologie komt van beresta: berkenbast. De berkenbastkunde dus.

Het jongetje Onfim tekent en leert schrijven op berkenbast.

De brieven van Novgorod zijn uniek. Ze beslaan een periode van meer dan vier eeuwen: van 1050 tot 1450. Er zijn uit die tijd de nodige religieuze, juridische en literaire teksten overgeleverd, geschreven op duur en duurzaam perkament. Alledaagse gebruiks- en wegwerpteksten uit die tijd zijn veel zeldzamer. „Het enige wat hier een beetje op lijkt”, zegt Schaeken, „zijn zeshonderd teksten in runenschrift die in Noorwegen gevonden zijn: geschreven op houten stokjes. Een deel daarvan bestaat ook uit alledaagse mededelingen.” In West-Europa hebben we uit de Middeleeuwen helemaal niets dat hiermee te vergelijken is.

Het aardige van de berkenbastteksten is dat ze je het gevoel geven dat je heel even heel direct contact hebt met het verleden. Voor Schaeken hebben de teksten nog een andere aantrekkingskracht. „Ik hou van puzzelen”, zegt hij. „Soms begrijp je meteen wat er staat. Maar vaak is het een enorm gepuzzel. De woorden zijn allemaal aan elkaar geschreven, zonder spaties ertussen. De spelling is variabel. Het is geschreven in een dialect dat we alléén kennen van deze berkenbasten. Het is heel beknopt geformuleerd. En je weet de context niet. Soms zit je eindeloos te dubben op één woord.”

Sinds het eerste tekstje gevonden werd, in 1951, is er, vooral door een handjevol Russische specialisten, een boekenkast over volgeschreven. Sommige tekstjes hebben meer dan één interpretatie opgeleverd. Van de brief waarin Sjiltse wordt beschuldigd van iets dat hij met varkens en paarden zou hebben gedaan, zijn twee verschillende interpretaties in omloop.

„Het draait om de betekenis van het woord posjibati”, legt Schaeken uit. „Volgens mij betekent dat gewoon: neuken. In die betekenis, geslachtsgemeenschap hebben, komen we dat woord ook tegen in oude juridische teksten.”

Te beschamend

In de alternatieve interpretatie wordt posjibati vertaald als: beheksen. De man over wie geklaagd wordt, zou dan een vloek hebben uitgesproken over het vee, waardoor de dieren ziek zijn geworden of zijn gestorven. „Dat is de interpretatie die gegeven wordt door Andrej Zaliznjak, dé Russische autoriteit op dit vakgebied. Nou ja. Wij weten allemaal dat hij dat voorál beter vond omdat hij die andere, meer voor de hand liggende interpretatie te beschamend vond. De Russen beschouwen dit als uniek nationaal erfgoed. Ze willen liever niet dat dat over seks met dieren blijkt te gaan.”

Veel brieven gaan over handel. Vanuit Novgorod werd gehandeld in van alles en nog wat. „Van Kjoerik en Gerasim aan Onfim. Over die eekhoornvellen: als jullie die nog niet verkocht hebben, stuur ze dan onmiddellijk, want er is hier vraag naar eekhoornvellen. Over onszelf: als je vrij bent, kom dan hierheen, want Ksinofont heeft het voor ons verknoeid. Over die ene man: die kennen wij niet.”

Een brief van rond 1100: „Verkoop de hoeve, kom hierheen – naar Smolensk of naar Kiev. Het graan is hier goedkoop. Als jullie niet komen, stuur dan een briefje, of het goed met jullie gaat.” Schaeken vermoedt dat dit geschreven is in een periode waarin er gebrek was aan graan en honger werd geleden.

De Russen willen liever niet dat dat over seks met dieren gaat

Jos Schaeken hoogleraar

De brieven zijn vaak vanuit andere steden geschreven. Bijvoorbeeld vanuit Pskov, dat 200 kilometer van Novgorod ligt: „Je hebt in Pskov een slavin gekocht. En nu heeft de vorstin mij gevangengenomen en moest mijn gevolg borg staan.” De brief verwijst naar een juridisch gebruik uit die tijd. Wie in een vreemde stad verbleef, kon daar gevangengezet worden vanwege iets dat een stadsgenoot misdaan had. In dit geval was er blijkbaar iets misgegaan bij de aankoop van een slavin.

Op een van de berkenbaststroken staat alleen de zin: „De Litouwers hebben de Kareliërs aangevallen.” Er staat geen afzender bij. Wel een abstract symbool, dat de ontvanger van de brief waarschijnlijk vertelt van wie dit militaire (geheime?) bericht afkomstig is.

Er zijn ook brieven gevonden van boeren aan hun „heer”. Wat overigens niet wil zeggen dat die boeren konden schrijven. Het ligt voor de hand dat een lokale geestelijke dan het schrijfwerk deed. Je voelt in deze brieven de afstand: de grootgrondbezitter woont in de stad, het landgoed waarop de boeren werken ligt ver weg. „Een buiging van de mensen van Sjizjna en van de mensen van Bratolovitsji voor heer Jakov. [...] We zitten diep in de ellende, heer, het graan is bevroren. Er is niets om te zaaien, heer, en er is niets om te eten.”

Sommige berkenbastpost is meer privé. Rond 1380 schrijft een zekere Boris aan zijn vrouw Natasja: „Stuur, zodra deze brief aankomt, een man op een hengst, want ik heb hier veel te doen. En stuur een hemd. Ik ben een hemd vergeten.” Alledaagser kan het niet.

Dertig jaar later schrijft diezelfde Natasja dit over haar man Boris: „Groet van Natasja aan mijn heren, mijn broers. Mijn Boris is dood. Hoe, heren, gaan jullie voor mij zorgen en voor mijn kinderen?”

De sovjets vonden dat natuurlijk fantastisch

Jos Schaeken

Ook erg mooi zijn een paar bezwerende teksten die aan het berkenbast zijn toevertrouwd. Zoals deze, tegen koorts: „Drie keer negen engelen, drie keer negen aartsengelen. Bevrijd de dienaar Gods Michej van de koorts, door gebeden van de Heilige Moeder Gods.” Dergelijke teksten werden waarschijnlijk opgerold en als een talisman op het lichaam gedragen.

Er is ook een liefdesbezwering gevonden: „Mogen jouw hart en jouw lichaam en jouw ziel ontbranden jegens mij en mijn lichaam en mijn aangezicht.” En dan is er ook nog dit curiosum: „Een leeghoofd schreef dit, een domkop zei dit en wie dit leest...” en daar stopt de tekst. Een middeleeuwse variant van het bekende en blijkbaar tijdloze „wie dit leest is gek”.

Schaeken vindt de brieven ook interessant, omdat ze functioneerden binnen een maatschappij waarin schriftelijke communicatie nog maar een beperkte rol speelde. De stijl van de brieven is heel direct. „Men schreef zoals men sprak. Vaak is het opgeschreven alsof de afzender en de geadresseerde gewoon bij elkaar zitten, en de een dan tegen de ander zegt: doe dít, doe dát. Er is geen afstand.”

Mensen uit de bovenlaag

De eerste berkenbastbrieven werden in de jaren vijftig gevonden, tijdens de Sovjet-Unie. „De sovjets vonden dat natuurlijk fantastisch: moet je eens kijken welke hoge graad van geletterdheid wij hadden in de Middeleeuwen, iedereen kon lezen en schrijven! We weten ondertussen dat dat niet zo was. Het gaat bijna altijd om mensen uit de bovenlaag: de adel en handelaren, die over een langere afstand met elkaar moesten communiceren – vanuit Kiev of Constantinopel, als het moest. Ambachtslieden kom je nauwelijks tegen in deze correspondentie. Die hoefden elkaar geen brieven te schrijven, want ze zagen elkaar voortdurend, kwamen elkaar voortdurend tegen op straat.”

Het middeleeuwse Novgorod had 20.000 à 30.000 inwoners. Bepaalde personen keren vaker in de brieven terug. Wat begrijpelijk is, als je bedenkt dat er maar op een beperkt aantal plekken opgravingen zijn gedaan en dat er soms een hele serie brieven op één en dezelfde plek is gevonden. In tientallen brieven draait het bijvoorbeeld om het duo Luka en Ivan. Schaeken: „Twee handelaren. Waarschijnlijk ook broers van elkaar. Je ziet waar die twee zich allemaal mee bemoeien. Ze reisden veel. Ze hadden contact met de lokale adel en de lokale bestuurders. Ze handelden in van alles: graan, huiden, bont, paarden, wijn, glaswerk, aardewerk.”

De eerste berkenbasttekst, gevonden bij een opgraving in 1951.

Nog steeds komen er brieven uit de bodem van Novgorod. Er wordt ieder jaar wel wat gevonden. De opgravingen zijn altijd in de zomer. Vrijwel ieder jaar gaat Schaeken erheen, in augustus.

„’s Ochtends wordt er gegraven. Ze zitten nu ergens in de twaalfde eeuw. Zo tegen de middag komt men dan met de buit naar het kantoortje waar de taalkundigen zich verzameld hebben. Een heel gezellig ritueel is dat. De vondsten van die ochtend zitten in een mandje. Als daar een stukje berkenbast bij zit, wordt iedereen daar heel erg opgewonden van. Dat is dan nog opgerold. Iemand rolt dat uit, heel voorzichtig, en legt het in een bak met heet water. Daar laat je het een hele tijd in liggen. En dan is het leesbaar en gaan twee mensen – en dat zijn ook altijd dezelfde mensen – de eerste lezing doen. Wij staan daar rondomheen. Je krijgt dan zomaar opeens een boodschap uit de twaalfde eeuw.”