Opinie

Ambulance

Marcel van Roosmalen

Aan de markt in Wormerveer zit een vestiging van IJscuypje, een stille belofte dat Amsterdam langzaam naar hier verschuift, al komt de espresso die ze er verkopen gewoon uit een cupje van het huismerk van Albert Heijn. „Wat een rare smaken... bloedsinaasappel, doe toch eens normaal”, zei de mevrouw voor ons, die een ijsje uitzocht voor haar grote witte hond.

„Wat voor ijs wil jij?”, vroeg ik aan de jongste (2).

Ze keek naar de hond, die zijn ijsje in een hap verslond.

„Wat de ijsbeer heeft.”

Even later zaten we met z’n vieren op het houten bankje voor de zaak.

Een ziekenauto reed zichzelf klem achter een bestelbusje van een groenteboer die aan het inladen was en zette de sirenes aan.

„Ambulance!”, riep de jongste, ze houdt van moeilijke woorden.

De oudste vroeg meteen waar het bloed was. Bij een fietstocht in de zomer moesten we eens afstappen vanwege een gevallen racefietser. Hij lag op het fietspad in een plas bloed en werd later een ambulance ingedragen.

De gebeurtenis had diepe indruk gemaakt.

Bijna net zo veel als toen ik als zevenjarige met mijn vader een bergwandeling in Zwitserland maakte en hij zichzelf bijna elektrocuteerde omdat hij in een weiland over een losliggende elektriciteitskabel plaste.

„Ik ben ook ooit in de ambulance geweest”, zei de oudste.

Ze was tijdens een vakantie in Frankrijk inderdaad een keer met een gat in haar hoofdje afgevoerd. Hoewel ze zich daar niets van herinnert, mag ze daar graag over vertellen tegen haar jongere zusje.

„Ja, bloed”, reageerde de jongste geroutineerd.

De oudste: „In de ambulance woont de dokter.”

De groenteboer kwam, een houten kist aardappels in zijn handen.

Hij zette de kist op de grond, stiefelde zichtbaar geïrriteerd naar de ambulance, waar een van de broeders met de arm uit het opengedraaide raam hing.

„Heb je haast? Heb-bie een vrachtje? Nou, zet dan uit, die kolere-herrie.”

Even later reed de ambulance met een slakkengangetje voorbij, de sirenes waren uitgezet.

Toen het ijs was opgelikt fietsten we door naar Krommenie.

Bij boekhandel Stumpel zag de filiaalhoudster ons binnenkomen. Ik fantaseer haar weleens als personage een roman in, ze is dan een boekverkoopster in een dorp met maar twee betalende klanten: wij.

Dit keer kwam ze een boek aandragen waarvan ze dacht dat het misschien leuk was voor in mijn schoen met Sinterklaas. Naast de schoen, dacht ik, want Atlas van een bezette stad van Bianca Stigter weegt wel een paar kilo. We gingen uiteindelijk weg met Boer Boris en het gebroken been, vanwege de gele ambulance op de kaft.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.