Vroege viervoeter loerde langs de oever op insecten

Paleontologie De schouders van Parmastega aelidae, een van de vroegste viervoeters, waren te zacht om echt aan land te kruipen.

Zwemmende Parmastega aelidae
Zwemmende Parmastega aelidae Beeld Mikhail Shekhanov / Ukhta Local Museum

Een krokodilachtig uiterlijk, en ogen boven op z’n kop om over het wateroppervlak te kunnen turen: zo omschrijft een internationaal team van paleontologen de gewervelde viervoeter Parmastega aelidae deze week in Nature. De ontdekking van het Russische fossiel (krap een meter lang) is bijzonder, want met een ouderdom van naar schatting 372 miljoen jaar oud was Parmastega een van de vroegste tetrapoden.

Ruim 370 miljoen jaar geleden kropen de eerste gewervelde viervoeters aan land. Van de vroegste tetrapoden is weinig fossiel bewijs voorhanden, waardoor onduidelijk is wanneer ze precies de overstap van water naar land maakten. De oudste losse fragmenten zijn 380 miljoen jaar oud, de oudste pootafdrukken ruim 390 miljoen jaar oud, maar de oudste bijna complete fossielen, Ichtyostega en Acanthostega, waren tot nu toe ‘maar’ 365 miljoen jaar oud.

De vondst van Parmastega werpt nieuw licht op die vroege fase. Opvallend is dat de schoudergordel van de soort deels uit kraakbeen bestond, een veel zachter materiaal dan bot. Wellicht waren de (niet bewaarde) wervelkolom en ledematen ook van kraakbeen – te zacht om aan land te kruipen.

Mogelijk verliet de soort het water dus nog niet echt, schrijven de auteurs, en zwom hij alleen rond aan het oppervlak van de ondiepe tropische lagune waar hij leefde, om dan met zijn langgerekte bek wat insecten van de oever af te snoepen.

De onderzoekers omschrijven de kop van Parmastega als een soort kruising tussen die van kwastvinnige vissen als Tiktaalik en Panderichthys (die rond de 380 miljoen jaar geleden leefden en vermoedelijk ook al af en toe aan land gingen) en tussen vroege tetrapoden als Ichtyostega en Acanthostega. Boven op zijn kop had hij grote, ovale oogkassen, die erop duiden dat hij het wateroppervlak (en de oever) afspeurde in plaats van onder water naar voedsel zocht.

De neusgaten zaten juist weer opvallend laag in de schedel: vermoedelijk waren ze bedoeld om water ‘in te ademen’ richting de kieuwen (die er vervolgens zuurstof uithaalden). Wel kón de soort ook direct zuurstof uit de lucht opnemen, via een opening boven op de schedel.

Net als zijn vissenvoorouders had Parmastega in zijn onderkaak zintuigen om vibraties in het water op te vangen, maar boven op de kop ontbraken die: dat lijkt een extra aanwijzing dat hij rondzwom met zijn kop deels boven het wateroppervlak uit.