Opinie

‘Dostojevski’s schrijverschap kwam voort uit een obsessie’

Michel Krielaars

Als ik de residentie van de Nederlandse consul-generaal aan de Engelse Kade betreed, valt de avond over Sint-Petersburg en kleurt het water van de machtige Neva zwart. Ik ben er voor een lezing van Jan Brokken, die zo’n dertig Russische studenten Neerlandistiek van de plaatselijke universiteit komt toespreken. Ze zijn rond de twintig en spreken in prachtige Nederlandse volzinnen, waar menig Haags politicus jaloers op mag zijn.

Een paar dagen eerder was Brokken in Moskou voor overleg over de vertaling van De rechtvaardigen, zijn relaas over consul Jan Zwartendijk, die in 1940 in het Litouwse Kaunas duizenden Joden redde door hun een visum te geven waarmee ze via de Sovjet-Unie naar de vrijheid konden vluchten. Als hij erover vertelt, vraagt een van de studenten waarom die Joden niet in de Sovjet-Unie zijn gebleven.

,,Omdat ze ook daar niet veilig waren”, antwoordt Brokken, die daarna opmerkt dat hem bij zijn lezing over De rechtvaardigen in een Moskouse synagoge opviel hoe weinig zijn gehoor afwist van het gruwelijke lot van de Joden onder Stalin.

De studenten willen het vanavond vooral over Brokkens De gloed van Sint-Petersburg hebben. Zo vragen ze hem waar toch zijn fascinatie voor hun stad vandaan komt. Brokken antwoordt dat dit aan Anna Achmatova te danken is. „Toen ik hier in 1975 voor het eerst kwam, kon een op de tien Russen haar gedichtencyclus Requiem uit het hoofd declameren”, zegt hij. De studenten glunderen, want ook zij kennen die cyclus over het Russische leed tijdens de Stalinterreur goed.

Wanneer Brokken vertelt dat het werk van Achmatova onlangs in een Nederlandse krant aanstellerig is genoemd, reageren de studenten ontsteld, omdat niemand de angst van toen zo goed heeft verwoord als zij.

Student Sasja wil weten waar de door Brokken geconstateerde creativiteit in Sint-Petersburg vandaan komt. „Uit het feit dat het een grensstad is, waar verschillende culturen samenkomen”, antwoordt de schrijver. „Hetzelfde zie je in Triëst, dat een mix is van de Slavische, Latijnse en Habsburgse wereld.”

Dan komt Alexander von Wrangel, die Dostojevski tijdens diens Siberische ballingschap had leren kennen, ter sprake. Brokken veert op. „Toen ik zijn brieven aan Dostojevski in handen kreeg, was het alsof ik ineens twee goudstaven had gevonden”, zegt hij. „Want ineens las ik hoe Dostojevski’s schrijverschap begon. Hun vriendschap leerde me ook dat literatuur altijd voortkomt uit een obsessie, in Dostojevski’s geval de misdaad. Zijn vader werd tenslotte vermoord door lijfeigenen.”

Tot slot vragen de studenten welke Nederlandse schrijvers Brokken kan aanbevelen. „Multatuli, A.F.Th., Grunberg, de verhalen van Maarten ’t Hart, J.M.A. Biesheuvel, Mensje van Keulen”, antwoordt hij. „Maar niet Harry Mulisch.” Brokken zoekt steun bij zijn collega-schrijver Pieter Waterdrinker, die ook in de zaal zit. Hij deelt Brokkens voorkeur, maar voegt daar wel W.F. Hermans en de gebroeders Van het Reve aan toe.

Als ik ’s nachts naar mijn hotel terugloop, passeer ik het geboortehuis van Nabokov. Meteen denk ik aan het poëtische begin van zijn autobiografie Geheugen, spreek: ‘De wieg schommelt boven een afgrond en het gezond verstand zegt ons dat ons bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis.’ In Sint-Petersburg heeft dat vluchtige kiertje veel schoonheid opgeleverd.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.