Koude Oorlog in de bossen bij Darp

Kernwapenopslag Het was een publiek geheim dat er atoombommen lagen op de Amerikaanse basis in het Drentse Darp. Portret van een dorp met littekens van de Koude Oorlog, dertig jaar na dato. „Wij zeiden tegen mekaar: d’r ligt niks.” Een voorpublicatie.

Uitkijktoren op de voormalige Amerikaanse basis in Darp, Drenthe.

Uitkijktoren op de voormalige Amerikaanse basis in Darp, Drenthe.

Foto Frans Ohm

Het was Koude Oorlog en mijn zus wilde dat ik meeging. Ik was zeventien of achttien. We namen de trein van Assen naar Steenwijk, waar we in sporthal De Meenthe een beker soep dronken. Met zes krentenbollen en een net mandarijntjes begonnen we aan onze tocht naar het Darperbos.

De route volgde de spoorlijn en ging daarna de berg op, de Bisschopsberg. Op het hoogste punt, 17 meter boven NAP, lag het dorp ‘Barg’. De jeugd van Barg wachtte ons op met voetzoekers en vuurpijlen, en dan moest Darp nog komen.

Darp! Het is meer klank dan woord. Een oerkreet, een oprisping. Darp komt van ‘derp’ en is Drents voor ‘dorp’. In Drenthe zijn geen steden die de naam stad verdienen, de provincie bestaat uit dorpen, ingeklemd tussen veenmoeras en heideveld. ‘Ik kom er weg’, ik kan het weten.

De plaatsnaam Darp lijkt geboren uit een gebrek aan fantasie. De middelste weg heet er Middenweg, die aan de westkant de Westerlaan. Maar het zit anders. Wie zijn dorp Darp noemt, heeft lef. Een toponiem als Darp barst van de pretenties. ‘Er is geen dorp dat dorpser is dan het onze’, zegt de naam Darp.

Gelukkig waren mijn zus en ik niet alleen. We liepen in optocht, in de geborgenheid van de menigte. Het geknal van rotjes en strijkers overstemden we met spreekkoren: „Geen man, geen vrouw, geen cent voor het lee-ger.” Er sloeg damp uit onze kelen, dwars door onze sjalen heen (Palestina-doeken, maar ook zelfgebreide).

Van mijn zus had ik een gebroken geweertje gekregen. Omdat ze zelf geen dienst kon weigeren wilde ze dat ik het deed, haar vier jaar jongere broertje. De vredesmars op Tweede Kerstdag was bedoeld als warmlopen.

Van Darp wisten we niets. Wij kwamen niet voor de nieuwsgierigen in de deuropening van hun huizen, maar voor de Amerikaanse GI’s in het Darperbos. Hemelsbreed op amper tweehonderd meter van de openbare weg bezetten die een zwaarbewaakt perceel. Maar hoe we ook tuurden tussen de dennenstammen, nergens zagen we gehelmde, als takkenbossen verklede militairen.

Dat er atoombommen in het bos lagen – „ontkend noch bevestigd” door de regering – was een publiek geheim. Naar de aantallen (ruim veertig) en de opgetelde vernietigingskracht (tachtig maal Hiroshima) konden we slechts gissen. Het ging om nucleaire granaten die je met de Honest John-lanceerinstallatie op Sovjet-tanks kon gooien, zodra die West-Duitsland zouden binnenrollen.

Een van de meegevoerde spandoekteksten richtte zich direct tot de inwoners van Darp: BOEREN WORDT WAKKER, ER LIGGEN KERNKOPPEN OP UW AKKER.

Iemand riep: „We bennen geen boeren.” Iemand anders: „Goa waark’n.” Op een kruising stond een man te paard die ons uitmaakte voor „landverraders”. Mijn scholierengelijk was een pantser waarop alle kritiek afketste. Maar nu, in retrospectief, vraag ik me af wat de bewoners van de Bisschopsberg van ons dachten. Hoe zag en ziet de wereld eruit volgens Darp?

Zicht op Darp vanaf de Westerlaan. Foto Frans Ohm

Iglo’s van gewapend beton

Bijna dertig jaar na de val van de Muur keer ik op een damesfiets van het merk Union terug naar Darp. Op het crosspaadje voor mij, ook op een Union maar dan een herenmodel, fietst Frans Ohm. Hoewel hij een import-Drent is, geniet hij zoveel ontzag onder de ‘Darpelingen’ dat ze hem her en der begroeten met een binnensmonds Moi!

We naderen de zoom van het Darperbos, waar tot een eeuw geleden een rij plaggenhutten stond. Rechts ligt een ‘tankbaan’ en een heideveld waar de landmacht oefent met geleende Leopard-tanks.

Frans Ohm fotografeert Darp al jaren, hij is verknocht geraakt aan de zeshonderd inwoners en hun eigenaardigheden. Ik op mijn beurt ben vooral nieuwsgierig naar de plek waar wij onze massavernietigingswapens verborgen. Dit MMC (Munitie Magazijn Complex) dat van 1961 tot 1992 in handen was van het 8e Veldartillerie Detachement van de US-army, heet in de volksmond de ‘site’. Drenten houden van woorden van één lettergeep. Wij volgen de mountainbikeroute tussen de bebouwde kom van Darp en de site in, achter het voetbalveld met clubhuis De Keet.

„Hier kwam de jeugd cantharellen plukken”, roept Frans over zijn schouder. „Als ze te dicht bij het hek kwamen, werden ze onder schot gehouden en opgepakt.”

De site was rechthoekig. In twee iglo’s van gewapend beton lagen dikbuikige bommen van meer dan honderd kilo waarmee je de vijand én jezelf te grazen kon nemen. De beide cilinderloodsen lagen in de exclusion zone, bewaakt door Amerikaanse militairen met M-16 machinegeweren. In de ring daaromheen patrouilleerden Nederlandse soldaten met uzi’s. Hun strook was ook omheind. Buiten de hekken lag steenslag dat knisperde als je het betrad – geluid dat werd opgevangen door microfoontjes.

Zonder te trappen suizen we ‘de Amerikaanse weg’ af, die naar hars ruikt. Aan weerszijden liggen versgezaagde dennenstammen opgestapeld. Links stond het American Hotel, een kazerne van gele baksteen en oranje luifels waar Darper vrouwen de lakens verschoonden van wie geen wachtliep.

Frans laat zien waar de atoombombewakers hun Buicks en Chrevolets stalden. Tegenover de vroegere parkeerplaats staat nog een iele slagboom, maar het bijbehorende checkpoint is na de implosie van het Sovjet-rijk als een kies uit de grond getrokken. Je rijdt zo door tot een open plek, een zandverstuiving met nog één wachttoren. De uitkijkpost, een betonnen totem met schietgaten bovenin, reikt tot boven de boomtoppen en ziet neer op een kampeerweide. In de hoek staat een aggregaat op wielen naast een legertent met het vaandel van de 43e Gemechaniseerde Brigade.

Een soldaat van de Johannes Postkazerne steekt zijn gemillimeterde kop naar buiten.

„Waar die toren van is? Geen idee. Ik weet alleen dat dit een Amerikaans kamp was.”

„En wat doen jullie hier, behalve kamperen?”

„Sorry, geen commentaar.”

‘We waren allemaal rood’

Darp heeft geen brink, maar wel een Proatplein. Beklinkerd, met bankjes. De Unions hoeven hier niet op slot. Het is lunchtijd, en buurthuis De Stobbe serveert snert met roggebrood en spek. Binnen, tussen de bar en het biljart, zitten tien Darpelingen, door Frans opgetrommeld zodat ik ze kan leren kennen, en zij mij.

„Ik ben al eens in Darp geweest”, zeg ik om het ijs te breken. „Ik was scholier en droeg buttons met ‘Kernwapens de wereld uit’...” Ik hoef mijn zin niet af te maken.

„Aaah, was jij er zó een”, zegt Jan, een zestiger die kaal is en een altstem heeft. „Wij moesten daar weinig van hebben, maar vergis je niet, Darp was een rood dorp toen.”

„We waren allemaal rood”, zegt een man in een schipperstrui, die ook Jan heet en ook kaal is.

„Je zat bij de bond, je zat bij de VARA”, gaat Jan 1 verder. „Je voerde strijd om betere arbeidsvoorwaarden. Daar waren wij mee bezig.”

„En niet met de kernwapens in het bos?”

„Ik wel”, zegt Yvonne Pleister, kort geknipt, kordaat, die melk en karnemelk schenkt. „Ik heb twee of drie keer meegelopen in de vredesmars.”

„We liepen samen”, vergroot Jan Pleister (Jan 3) de commotie. Hij heeft Yvonne ontmoet op de markt in Steenwijk, ze was zeventien en schepte bolletjes ijs uit een kar. Zij is ‘import’ uit Overijssel, hij een geboren Darper.

De Stobbe vult zich met ongeloof en scepsis. „Wij zeiden tegen mekaar: d’r ligt niks”, zegt de Jan met de schipperstrui. Zijn schoonvader had in de jaren zestig meegebouwd aan de bunkers, maar toen ze klaar waren had niemand er meer een blik in kunnen werpen. Misschien waren ze daar neergezet om de Russen om de tuin te leiden?

„Wat dachten jullie dan dat die Amerikanen hier deden?”, zegt Yvonne. „Lege hulzen bewaken?”

„Je wist niks. Je vroeg niks”, zegt Jan 1.

Elke ochtend om half zeven kwamen de Amerikanen in ganzenpas het Hotel uit, soms met bepakking en al. Er zaten zwarte kerels bij, en bruine. In het gras langs de Westerlaan drukten ze zich op, dertig, veertig keer.

„Ze pikten onze meiden in”, zegt Jan 1, die de rookworst in zijn soep voor het laatst bewaart. „D’r bleef voor ons haast niks over.”

Jan 2: „Ze reden rond in sleeën met van die verchroomde vleugels. Dat zoog meiden aan.”

In het jaar dat Gorbatsjov aan de macht kwam, was Yvonne Pleister op de wagen van een Amerikaan geknald. Aan de Meppelerweg slingerde hij het portier open om uit te stappen. Beng, daar lag ze. Kapotte spijkerbroek, gekneusde knie, brommer in de kreukels. „Hij heeft me overeind geholpen en zijn naam gegeven. Maar toen de verzekering er achteraan ging bellen, bleek hij onvindbaar.”

In maart en april 1992 landden er Chinooks op de berg. Hooguit een halfuur vielen de rotorbladen stil, daarna loeide het kabaal weer aan en zag je ze opstijgen boven de bosrand. Gebladerte zwiepte heen weer, dor hout brak af. De Chinooks losten in het niets op en lieten de site onttakeld achter. Het American Hotel was verlaten.

De Parkweg in Darp. Foto Frans Ohm

Cubakoekjes

Los van de mars op Darp liep ik mee in de grote volksoplopen in Amsterdam (1981) en Den Haag (1983) tegen de komst van de kruisraketten in Woensdrecht. Bij natuurkunde leerden we over de vuurgolf en de fall-out aan radioactieve asregens van een thermonucleaire oorlog.

„Ondergrondse kernproeven”, schreef ik in mijn dagboek. „Twee woorden, twee vragen. Hoe lang nog ondergronds? Hoe lang nog proeven?”

De vrede op aarde werd bewaard door te dreigen met de vernietiging van die aarde. Gooi jij mijn cassetterecorder stuk, dan vertrap ik jouw pick-up. Volgens het CDA moesten we de Pershing II wel naar Woensdrecht halen omdat de Sovjets de SS-20 op ons hadden gericht. Maar wat als er een ongeluk gebeurde? Ik droomde van een paddenstoelwolk die plotseling boven de flats aan de Speenkruidstraat uittorende en de zon verduisterde – iedereen die ernaar stond te kijken verkoolde tot een hoopje roet.

Vele jaren later deden mijn zus en ik een vreemde ontdekking: in een keukenkastje vonden we een merkloos blik scheepsbiscuit voor als de bom zou vallen. „O dat zijn Cubakoekjes”, zei onze moeder. Tijdens de Cuba-rakettencrisis in 1962 was dit noodrantsoen uitgedeeld door de BB, de Bescherming Bevolking, inclusief het advies om met het hele gezin te schuilen onder „tafel, bed of werkbank”.

Lang heb ik rondgelopen met een vertebril, die me het zicht op mijn geboortegrond ontnam. Waar ik nooit bij heb stilgestaan: hoe verliep de Koude Oorlog in het klein, dicht bij huis op een Drentse stuwwal?

Pas nu ik me in Darp verdiep, zie ik de grote politiek weerspiegelen in de schermutselingen op de vierkante meter. Kwamen er in 1972 elf Israeli’s om bij een Palestijnse aanslag op de Olympische Spelen van München, dan verrees er op de Ruiterweg in Darp een barricade van zandzakken. Zo ging het vaker. Het plotselinge uitdijen van de beveiligingsring bij het American Hotel was een bron van nieuws op het Proatplein. Geheid dat de krant van de volgende dag dan berichtte over een bomaanslag op NAVO-militairen in Duitsland.

Iedere Darpeling van boven de vijftig herinnert zich de actievoerders die zich aan het buitenste hek hadden vastgeketend. Of de arrestatie van een man die – „in zijn onderbroek” – de Stars and Stripes op de appèlplaats van het American Hotel had neergehaald. Terwijl de rust in andere Drentse dorpen hooguit werd verstoord door de rijwielvierdaagse, streken er bij Darp Vrouwen voor Vrede neer. Rond een vuurplaats tegenover de Johannes Postkazerne sloegen ze in juli 1984 hun tenten op. Bij guur weer kwam oud-minister en PvdA-coryfee Sicco Mansholt vanuit zijn woonstee in Wapserveen pannetjes soep brengen – totdat hun bivak op last van de burgemeester was ontruimd.

Wilde beesten en rouwdouwers

Darp is geen doorsnee dorp. Binnen de gemeente Havelte vormde de gemeenschap een buitencategorie, zorgenkind en hoofdpijndossier ineen. Demonstratief gooiden de bewoners in 1998 een cadeau van B&W in de kliko. Een mo(nu)ment voor uw monumentale omgeving, heette het geschenk, een boek over alle fraaie oude panden binnen de gemeentegrenzen. Darp kwam er niet in voor.

Ruig volk zou er wonen, een bijeengeharkt zootje heikneuters. Jan 2 (de Jan met de schipperstrui) betwistte het niet. Na afloop van de maaltijd had hij geprobeerd ‘de ziel’ van Darp te omschrijven. „Dit is voor mij zelfs moeilijk. Je praat er niet graag over.” Vandaar dat hij een paar regels op de mail had gezet: „Omringende dorpen keken op ons neer. We stonden bekend als wilde beesten en rouwdouwers bij wie je uit de buurt moest blijven.”

De oorsprong van die reputatie had een naam: armoede. „Overal was gebrek aan.” Aardappelen, boter, suiker, koffie. De bakker, de slager en de melkboer leverden op de pof; ze wisten dat de Darpelingen lang niet alles zouden afbetalen. „Men kon gewoon niet.”

Vanuit het idee dat de samenleving maakbaar is, had de gemeente Havelte in de jaren zeventig geprobeerd de geslotenheid van de Darper dorpskern open te breken. Bouwkavels in Darp gingen in de aanbieding voor 25 gulden de vierkante meter, tegen 80 in het aanpalende Havelte. Helaas, wie van buiten kwam wilde niet – zoals de toenmalige directeur gemeentewerken wel eens had opgevangen – „tussen die messentrekkers” wonen.

Een verslaggever van De Telegraaf was er in het jaar 1897 op verkenning gegaan. „Een huttendorp bij uitnemendheid”, typeerde hij Darp. Met „gepoetste schoenen, hoed en sigaar” arriveerde hij bij het eerste huis: „Dat huis was een hut. Zoo’n hut lijkt op een ouderwetsche doodskist, maar is wat groter, niet veel. In zoo’n hut toch, wonen menschen.”

Het valt niet mee om van een slechte naam af te komen, maar de meeste Darpelingen die ik ontmoet nemen niet eens de moeite. Wat anderen denken dondert niet. Op veel truien en jassen prijkt een ‘Trots op Darp’-button, waarbij de dragers zich net als de watergeuzen graag laten voorstaan op hun onbehouwenheid.

„Kom maar kijken bij het voetbal”, zegt Albert ‘Appie’ Jansen. Zojuist hebben we in een zaaltje van het buurthuis Klein dorpje Darp gezien, een korte film van Frans Ohm over saamhorigheid en het verbindende verenigingsleven, met D.V.S.V., de Darper Voetbal Sport Vereniging, als boegbeeld.

„Wij zijn houwdegens”, nuanceert Jansen het beeld dat oprijst uit de film. „Op het veld delen we graag een schop uit. Havelte is kak, die lui spelen technisch. Darp speelt op karakter. We vechten meer dan we voetballen.”

Appie Jansen is huisschilder, zoon van een melkventer. Hij was ooit voetbaltrainer van de jeugd van 7 tot 17 jaar. „Vooral vroeger ging het er hard aan toe. Voetballen tegen Darp? Dat deed pijn hoor.”

„Ruwe bolster, blanke pit”, heb ik in mijn aantekeningenschrift gezet. Niettemin overtroefden met name de oudere Darper mannen elkaar in botheid, het leek wel of ze ermee dweepten:

„Als je met een meisje uit Steenwijk kwam aanzetten, dan staken wij haar fietsbanden lek.”

„Je kon zoiets bij ons afkopen met een liter citroenbrandewijn.”

„Wie een beetje anders was, werd weggepest.”

„In de nieuwbouw kwam een homostel te wonen. Nou, die waren zo weer weg.”

„Iemand die van buiten komt, moet zich laten zien. Gewoon meedoen, dan is er niks aan de hand.”

„Bij lui die zich blijven verstoppen, verven wij de ruiten dicht met witkalk. Trek je ’s ochtends de gordijnen open, blijft het donker.”

In Klein dorpje Darp beschrijft Ron Vis, een schriele Hagenaar, hoe hij als nieuwkomer het mikpunt werd van pesterijen. Belletje trekken, op de ramen bonzen, nageroepen worden. Vis leefde teruggetrokken in de keuken van zijn huurwoning en vroeg zich af wat hij fout deed. „Ik ben wel eens kwaad naar buiten gestormd om zo’n joch achterna te zitten, maar dat werkte ook niet.” Alles veranderde toen hij zich aanmeldde bij de timmerclub. Zodra hij was gaan figuurzagen met de jeugd, stopte het getreiter.

Het ‘Half Vijfje’: een groep mannen die, sinds ze met en voor elkaar huizen bouwden in Darp, eens in de maand om half vijf samenkomen. Foto Frans Ohm

De littekens van Darp

Uit de Dorpskrant van de afgelopen tien jaar stijgt her en der een geest op van ‘wij tegen de rest van de wereld’. De buitenwereld, vanuit Darp bezien, is boos. Wat de Darpeling van de doorsnee Drent onderscheidt: hij is geen boer en niemands knecht. Darp en haar Darpelingen hebben het niet breed, en wat ze hebben dreigt hun te worden afgenomen. Door wie?

Door het Westen.

Door de elite.

Door de Partij van de Dieren. (Een ex-bestuurslid van D.V.S.V. zei me: „Dat jij in die vredesdemonstraties hebt meegelopen, oké, maar als je had gezegd ‘Ik stem op de Partij van de Dieren’, dan hadden we je eruit gegooid”).

De littekens van Darp, van zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog, staan beschreven in het decembernummer van 2016:

„Er was eens een klein dorpje op het Drentse platteland. Veilig verscholen in het bos. De bewoners waanden zich er veilig na een lange gevaarlijke periode. De oorlog was afgelopen, [maar] er hing altijd dreiging in de lucht. Men noemde dat de ‘Koude Oorlog’, niet te zien, niet te horen, maar altijd dichtbij. Er waren ijzeren hekken en prikkeldraad. Soldaten in andere uniformen die je niet kon verstaan.”

Piet Jetten had als een van de weinigen „het stukje Amerika aan de andere kant van de weg” betreden. In De Stobbe had hij me verteld dat hij door Nederlandse militairen was gevraagd voor een klus. Na de veiligheidscontrole werd hij door twee sluizen van prikkeldraad geleid. „We moesten schuttingen plaatsen in de binnenste ring”, zei Piet. Halverwege het werk werden hij en zijn maten ineens op een rijtje gezet, met hun rug naar de bunkers toe. „De deuren gingen los en wij mochten niet naar binnen kijken.” Twee Amerikanen met het geweer in de aanslag hadden ervoor gezorgd dat Piet Jetten recht voor zich uit was blijven staren. Omkijken was verboden.

De decembereditie van 2016 sluit af met een nieuwjaarsgroet en een woordpuzzel:

2 horizontaal: Japanse stad waar op 6 augustus 1945 een bom op viel (9 letters).

5 horizontaal: De Honest John raket werd later ... genoemd (10 letters).

13 horizontaal: Werkgroep Anti Atoom Koppen Steenwijk (Afkorting, 5 letters).

Bingo in buurthuis De Stobbe ten bate van de Durango Line Dancers. Foto Frans Ohm

Lam als een kanarie

Tweede Paasdag 2019. De Keet, het clubhuis van de Darper Voetbal en Sport Vereniging, maakt zich op voor de derde helft. Bier kost 1 euro 25 per glas maar gaat slechts per ronde, per tree of per meter.

Frans Ohm, fototoestel om zijn nek, is er op zijn Union. Boven de tap hangen naambordjes van de ‘club van 50’ (sponsoren) – onder wie Boem Boem Kaylee, Lange Bart, De Soere en Gertje Keutel.

De Keet ligt op nog geen vijfhonderd passen van het vroegere kernwapendepot, maar ik ben de enige die dat opmerkelijk vindt. Als ik aan de bar vraag hoe de inwoners van Darp de ‘site’ zagen, zegt een van de bezoekers: „Als een groot kippenhok voor een stel Amerikanen.” Aan de Koude Oorlog heeft Darp naar eigen zeggen geen schrammetje overgehouden. „Welnee, Darp was juist het veiligste dorp van Nederland. Wij hoefden nooit bang te zijn dat er bij ons werd ingebroken; elke verdacht persoon werd meteen opgepakt.” En wat is alles bij elkaar de nasleep van het Amerikaanse gerommel hier in het bos achter de cornervlag? Dat mevrouw H. op een dag was bevallen van een dochter met kroeshaar!

In Darp lijkt niemand wakker te liggen van een nieuwe wapenwedloop. Amerikanen die weigeren een raketverdrag te verlengen? Nieuwe Russische tests met nucleair voortgestuwde projectielen? De kernwapens op vliegbasis Volkel die de val van de Muur hebben overleefd?

Rond het voetbalveld valt wat te vieren. Darp heeft zojuist Giethoorn verslagen, 4-0. Spits Brian, die tweemaal heeft gescoord, had wat goed te maken. „De vorige keer stond hij met een kater op het veld”, zegt de penningmeester. „Hij speelde als een krant.” „Lam als een kanarie”, vult de grensrechter aan. Zijn teamgenoten hadden hun midvoor uit bed moeten bellen en in de spelersbus nog wat moeten opkalefateren.

Precies dit zijn de verhalen waar Darp op gedijt. Het is er zo een waarop je kunt proosten.

Darp, zo laat ik me uitleggen, is ook een dorp van feestvierders en harde werkers. Neem de linksback, vanwege zijn vikingblonde haren ‘de witte tornado’ genoemd: elke ochtend om vijf uur rijdt hij met drie collega’s Darp uit om voor de files op de Zuidas van Amsterdam te zijn. Ze werken voor de Commerzbank. (Gelach). Oké: ze laten twee spiegeltorens verrijzen aan de A10. Dagelijks dalen vier Darpers gehelmd af in een bouwput om temidden van Bulgaarse en Roemeense betonvlechters wanden te zetten.

„We kunnen heel goed voor onszelf zorgen’, zegt de linksback. „Maar we zijn allemaal ook nog lid van de bond.” Hoewel er in de bouw zat te klagen valt (over Polen die geen woord Engels spreken) hebben ze hun rode stakingshesjes van FNV IN ACTIE al lang niet meer gedragen.

De linksback haalt zijn schouders op. „Wij vallen niet onder ‘arm’. Ik kan me best redden en politiek interesseert ons niet.”

Over dit laatste wordt aan de biertafel van de zestigplussers anders gedacht. Breek hun de bek niet open over de Partij van de Arbeid.

„De PvdA draait ons de nek om.”

„Ze maken zich alleen nog druk om de natuur en de vluchtelingen.”

Frans Ohm, even nieuwsgierig als ik, had de uitslag opgevraagd van stembureau De Stobbe bij de Provinciale Statenverkiezingen, maart 2019. Van de 406 geldige stemmen had de PvdA er nog geen 40 binnengehaald (9 procent), tegen het drievoudige voor Forum en PVV samen (22 en 11 procent).

Het volgende rondje bier is voor mij. Als ik terugkom met de glazen, proosten we op Darp.

Ik heb nog een laatste vraag: „Hoe kijken jullie naar de rest van de wereld?”

De kring blijft stil; het net dat ik probeer uit te werpen is te wijdmazig. „Oké, wat vinden jullie van Donald Trump?”

„Die spoort niet...”

„Ho wacht.. Trump krijgt zaken voor mekaar.”

Een oudere heer met een ‘Trots op Darp’-button op zijn revers zegt dat we het verleden niet moeten vergeten. „Met wat er hier lag opgeslagen in het bos hebben de Amerikanen wel mooi de Russen op afstand gehouden.”

Hij krijgt bijval van de vroegere voorzitter: „Als ik moest kiezen tussen Trump en Poetin, dan wist ik het wel.”

„Trump snapt tenminste hoe het werkt. Kijk maar hoe hij Noord-Korea aanpakt.”

Dan begint de tombola. De meiden van de fanclub Darp hebben een rad van fortuin opgesteld, ze komen langs om fiches te verkopen met een nummer er op.

„Vijftig cent per stuk.”

„Wat valt er te winnen?”

„Vleespakketten.”

Het rad krijgt een zwieper, de schijf ratelt, de pijl blijft steken op 23.

„Bingo”, zegt een cowboy-type met witte snor en witte haren, die ook Jan blijkt te heten. Hij staat op en neemt zijn prijs in ontvangst. Het zijn voorverpakte schnitzels van de Jumbo met de sticker er nog op: 2 euro 49.

Correctie (12 november 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond dat in 1974 elf Israeli’s omkwamen bij een Palestijnse aanslag op de Olympische Spelen van München. Dat moet 1972 zijn, en is aangepast.