Opinie

Je niet ergeren maakt alles soms nog erger

Floor Rusman

Gisteren fietste ik in het centrum van Amsterdam achter een koets met een voortsjokkend paard dat duidelijk minder haast had dan ikzelf. De koets was bijna even breed als de straat en dus niet in te halen. Binnen een paar seconden voelde ik de ergernis zich uitbreiden van het epicentrum naar alle uithoeken van mijn lichaam.

Dat was op zichzelf ook weer irritant, want eigenlijk had ik helemaal niet zo’n haast, en het is ook vreemd om in het centrum van Amsterdam een onbelemmerde doorgang te verwachten.

Voor de zoveelste keer vroeg ik me af: waarom erger ik me zo? Heeft het een functie?

Bij gebrek aan onderzoek naar ergernis wierp ik de vraag laatst op in gesprek met een stel waarvan ik weet dat hij zich nooit ergert, en zij juist vaak.

Zij had weinig aansporing nodig. „Laatst waren we op een groepsreis, en zaten we bij het diner aan tafel met een héle vervelende man. Zo’n dominante man die veel te hard praat. Iedereen keek naar ons. Verschrikkelijk!”

Hij: „Ik vond hem wel aardig.”

Zij: „Jij vindt iederéén aardig. Dat vind ik dus zo irritant. Dan zijn we na afloop op de hotelkamer, en dan kan ik m’n ergernis niet delen!”

Ik vroeg wat ze liever wilde: dat hij in zulke situaties net zo geërgerd zou zijn als zij, of dat zij net zo tolerant zou zijn als hij. Ze koos zonder te aarzelen het eerste.

„Maar dan hebben jullie allebei een avond vol stress en woede, in plaats van allebei een leuke avond”, zei ik. „Waarom wil je dat liever?”

Ze begreep de vraag niet eens. Natúúrlijk was haar ergernis superieur aan zijn laconieke houding! Die vent in het restaurant was objectief gezien verschrikkelijk, dus hij verdiende geen verdraagzaamheid.

Mede door dit gesprek kwam ik tot drie voordelen van ergernis.

Eén: ergernis verbroedert. Met een simpele vraag naar fietsergernissen bijvoorbeeld kun je een saaie verjaardag omtoveren in een levendig lotgenotencontact. „Mensen die stilstaan ná het stoplicht, en zo de boel ophouden als het groen wordt!”, klinkt het meteen. „Mensen aan de linkerkant van het fietspad die op de trappers staan, terwijl ze nauwelijks vooruitkomen!” Et cetera.

Twee: ergernis duidt op betrokkenheid. Het is een tegenpool van onverschilligheid: het toont dat je oog hebt voor dingen en dat ze je raken. Dat is ook wat de vrouw die ik sprak haar niet-geërgerde man verwijt: dat hij vaak met zijn gedachten ergens anders zit en dus niet echt deelneemt aan de situatie.

Drie: ergernis zet aan tot actie. Wie zich ergert aan pratende mensen in de stiltecoupé kan er iets van zeggen, waardoor het praten (hopelijk) stopt. Hiermee doet hij alle andere geërgerde mensen een plezier. Let op: dit punt is pas relevant als er al mensen zijn die zich ergeren. Als niemand dat zou doen, bestond irritant gedrag überhaupt niet. Voor het oplossen van zijn probleem heeft de geërgerde mens dus baat bij zoveel mogelijk lotgenoten.

Dit verklaart nog beter waarom de vrouw zich zo ergerde aan de ergernisloosheid van haar man. Niet alleen liet hij haar mentaal in de steek, hij maakte ook nog eens duidelijk dat ze voor de oplossing geen hulp hoefde te verwachten. Door zich niet te ergeren, plaatste hij zichzelf buiten de wedstrijd.

Was ik maar zoals hij, kun je denken. Maar dat werkt alleen als we het allemaal tegelijk doen.

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.