‘Het is vermoeiend niet als individu te worden gezien’

Lunchinterview Clarice Gargard (31), journalist en columnist, schreef een boek over het pijnlijke verleden van haar vader. „We moeten dingen bevragen. Waarom doen we de dingen zoals we ze doen? Misschien kan het anders. Dat zie ik wel een beetje als mijn taak.”

Clarice Gargard (31) is nog in gesprek met een andere journalist wanneer wij onze afspraak hebben. Of ik „even een kwartiertje” kan wachten. We zijn zo klaar hoor, zegt ze. „Ik praat gewoon te veel.” Ze lacht. Gargard heeft het druk, nog los van de columns die ze sinds zomer 2017 voor NRC schrijft, stukjes waarin ze onconventionele standpunten inneemt over allerlei, vaak politiek gevoelige onderwerpen als racisme, ongelijkheid en vrouwenrechten – wat haar niet altijd in dank wordt afgenomen.

Begin oktober kreeg ze samen met regisseur Shamira Raphaëla een Gouden Kalf voor haar documentaire De waarheid over mijn vader. Op het podium die avond had ze een „soort van black-out”, zal ze even later bekennen. Backstage had ze moeten huilen. „Het had me emotioneel zo veel gekost.” Een paar dagen na de filmprijs moest ze naar New York, waar ze de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toesprak: het was haar afsluitende taak als VN-vrouwenvertegenwoordiger voor Nederland. Daar is ze net van terug, vertelt ze als we aan tafel zitten. Ze bestelt een Campari spritz. En een flammkuchen.

De rode draad van haar slottoespraak voor de VN? „Change the system.” Ze heeft een andere wereld voor ogen, „omdat er een systematische onrechtvaardigheid in machtsstructuren zit”. Het gaat er niet alleen om hier en daar een vrouw op een hoge positie te zetten. Nee, dat is windowdressing, symboolpolitiek. „Er moet iets in ons gedrag veranderen, in onze hoofden. Maar allereerst moeten we samen erkennen dat er verandering nodig is.”

Gargard vertelt gedreven en vrolijk. Ze lacht veel. Wanneer ze haar woorden zoekt, tuurt ze naar het plafond of legt haar beringde duim op haar kin. „Nou dat” zijn haar stopwoorden.

We hebben in dit Amsterdamse restaurant afgesproken om te praten over haar nieuwe boek, Drakendochter. Net als in de documentaire is haar Liberiaanse vader het centrale onderwerp, of liever gezegd: de vragen die ze aan haar vader heeft, staan centraal. „Daddy” was directeur van het nationale communicatiebedrijf onder het bewind van dictator Charles Taylor. En Taylor, president van Liberia tussen 1997 en 2003, was nauw betrokken bij de burgeroorlogen in de jaren negentig. „Het geweld in het land was wereldnieuws”, schreef ze in een van haar columns, „dat kwam onder andere door de betrokkenheid van (kind)soldaten, die naakt vochten en soms de nog kloppende organen van hun slachtoffers verorberden.” In 2012 werd Taylor wegens misdaden tegen de menselijkheid tot vijftig jaar celstraf veroordeeld.

Minder op een voetstuk

Gargards vader werd verdacht van spionage, wegens gebrek aan bewijs werden de aanklachten verworpen. Hoe kon hij voor een dictator werken? Haar daddy, haar held. Bijkomend probleem is dat haar familie lijdt aan een structurele vorm van wat zij „zwijgisme” noemt. In haar boek zegt haar vader: „Elke overheid, of het nu een goeie of slechte is, heeft communicatie nodig. Ik ben een technocraat. Ik oefen mijn vak uit.” En: „Ze deden allemaal slechte dingen, al die leiders. Ik was bevriend met hen allemaal.” Veel meer informatie krijgt ze niet bij haar vader los.

Het boek is een verdieping van de film, zegt ze. Ze ziet het als een tweeluik: „De documentaire was het begin en in het boek krijg je meer context en informatie.” Dat klopt. Op zoek naar mijn vader, rechterhand van Liberiaanse dictator Charles Taylor, luidt de ondertitel van Drakendochter. En voor die zoektocht duikt ze in de historische en politieke achtergrond van Liberia, en van Nederland, die ze afwisselt met persoonlijke herinneringen en gesprekken met familie.

Clarice Gargard werd geboren in de VS, als jongste dochter in een gezin van tien kinderen. Haar moeder nam haar mee terug naar het gezin in Liberia, maar toen zij één jaar oud was brak de eerste burgeroorlog uit en nam haar moeder haar mee naar de VS. Weer terug in Liberia, en later Ghana, scheidden haar ouders. Toen in 1992 opnieuw een burgeroorlog uitbrak, was zij met haar vader en haar oudste zus in Nice op een conferentie.

Foto Frank Ruiter

Haar vader bracht hen in veiligheid in Nederland en vertrok naar Liberia. Gargard groeide op bij haar zus in Purmerend. En dan hebben we het niet eens gehad over de rol van haar moeder. En over het feit dat haar grootvader koning was van het gebied in Liberia dat nu Grand Bassa County heet. „Ik ben dus officieel een prinses.” En over hoe ze als kind Charles Taylor ontmoette en koekjes van hem kreeg.

Is het beeld van haar vader veranderd nu het boek af is? Ja, antwoordt ze meteen. „Voordat ik eraan begon was ik vooral op zoek naar antwoorden, had ik meer vooroordelen. Nu kijk ik genuanceerder. Hij staat minder op een voetstuk. Ik heb minder vraagtekens bij zijn handelen en tegelijk zie ik hem meer als mens.” Ze ontdekte hoe moeilijk het is om vanuit haar Nederlandse referentiekader te oordelen. „Nu kan ik het werk van mijn vader meer in de context plaatsen en genoegen nemen met wat ik weet.”

Respectloosheid moet je niet belonen

Ik werp een gedachte op: is het zo dat wat zij in het klein binnen haar familie doet – de boel openbreken door vragen te stellen – ook in haar columns probeert te doen? Absoluut, antwoordt ze. „Wat ik nastreef is dat we dingen anders doen in de wereld, in het groot, maar ook in het klein. We moeten dingen bevragen. Waarom doen we de dingen zoals we ze doen? Misschien kan het anders. Dat zie ik wel een beetje als mijn taak.”

In haar columns (en op social media) schrijft ze over thema’ s als inclusiviteit, antiracisme en feminisme. Ze steunt Sylvana Simons, neemt het op voor klimaatactivist Gretha Thunberg, spreekt zich uit tegen het boerkaverbod. Onlangs nog schreef ze over het boerenprotest, dat ze vindt dat van de protestboeren meer getolereerd wordt dan van klimaat- of antiracismeactivisten. Stuk voor stuk onderwerpen waar ze veel kritiek op krijgt, vooral van extreem-rechtse denkers. Een enkele keer beantwoordt ze een boze brief. Wat aardig dat u de moeite neemt om te schrijven, typt ze dan, waarna ze de gemaakte spelfouten opsomt. „Om ze terug te fokken.” „Haatstukken” leest ze niet, want waarom zou ze zichzelf „vrijwillig laten stenigen?” „Het is een rabbithole wanneer je ingaat op hun argumenten. Je stapt in hun frame. Het is nooit zo dat ze zeggen: Oh sorry, dat had ik niet zo moeten zeggen.” Bovendien, zo ben ik ook opgevoed: respectloosheid moet je niet belonen.”

Ze gaat graag de discussie aan – rond haar achttiende gaf ze al debatcursussen – maar er is een grens. Een grens die eens werd verwoord door het Twitter-account Son of Baldwin, naar de Amerikaanse schrijver James Baldwin: „We kunnen het oneens zijn en nog steeds van elkaar houden, tenzij jouw mening bijdraagt aan mijn onderdrukking en de ontkenning van mijn recht te bestaan.” Gargard discussieert niet wanneer ze niet als volwaardig mens wordt behandeld, zegt ze.

„Al denken mensen van niet, ik ben best wel genuanceerd. Ik ben beschouwend, contemplatief.”

Ik kies ervoor om meer naar de steun te kijken dan naar de haat

Clarice Gargard

Maar je zegt wel stevige dingen, antwoord ik. Ik haal een citaat uit haar boek over kolonialisme aan: „Het koloniale verleden van Nederland is de olifant in de kamer, die naarmate de groepen emanciperen steeds moeilijker te negeren wordt. Een gewelddadig verleden kan niet zomaar verdwijnen.”

„Ik zeg wel stevige dingen…”

Dat is wat mensen bedoelen met ongenuanceerd, zeg ik.

„Ja. Nee. Oké. Ja maar het is niet dat ik zeg…’

„… dat ik niet meer met witte mensen praat”, opper ik grappend bedoeld naar aanleiding van het onlangs in de Nederlandse vertaling verschenen boek Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat van Reni Eddo-Lodge.’ Ze veert op. „Ik zeg dat niet. Maar ik begrijp het sentiment wel heel goed.” Daarom is ze selectief met wie ze praat, omdat ze zichzelf anders constant moet uitleggen. „Dan moet ik spokesperson voor een hele gemeenschap zijn.” De zwarte gemeenschap. De vrouwen. „Het is vermoeiend om niet als individu te worden gezien.”

In Drakendochter spreekt ze van micro-agressies. Mensen zitten ongevraagd aan haar haar. Vragen waar ze vandaan komt, vragen door wanneer ze ‘Purmerend’ antwoordt. „Zwarte mannen hebben toch een grote piemel.” Ook zoiets. „Ik ontvang ook veel liefde, dat troost me”, zegt ze. En: „Ik kies ervoor om meer naar de steun te kijken dan naar de haat”, al vindt ze dat superlame klinken. „Veel mensen, ook witte mannen, willen met mij een betere wereld. Ik denk dat die groep steeds groter wordt. De haat groeit maar de liefde ook. Dat denk ik. Nou dat.”

„Juist omdat de stem tegen racisme, tegen vrouwenhaat, tegen ongelijkheid sterker wordt, gaat de oude garde, de status quo, in de aanval. En die aanval, is eigenlijk een verdediging. Zo zie ik dat. Dat is altijd zo met verandering: het moet eerst slechter worden voordat het beter wordt. We moeten ergens doorheen.”