Opinie

Robert

In 010

Die middag wilde ik naar de expositie Allemaal Rotterdammers van Robert de Hartogh. En verdraaid, wie kom ik ’s ochtends tegen bij de kassa van Albert Heijn? „Klopt, ik ben Robert de Hartogh”, zei de grijzende heer voor me in de rij. „Zullen we samen gaan?”

En zo betraden we enkele uren later Museum Rotterdam. Robert vertelde: „Ik was opgeleid als beeldhouwer, maar dacht in mijn atelier aan de Hildegardisstraat: de wereld ligt naast mijn deur. Dáár gebeurt het.”

Het was eind jaren zestig, het wervingsverdag voor Marokkaanse gastarbeiders was juist gesloten. „Ik wilde laten zien dat migranten mensen waren zoals wij: op zoek naar een betere toekomst voor henzelf en hun kinderen. Poseren liet ik hen nooit. Ze mochten op de foto zoals ze zelf wilden.”

Foto Robert de Hartogh

Robert de Hartogh (76) toonde een nieuwe, maar gemoedelijke wereld. Jubelende vrouwen op Poetry Park, een schoolklasje eigen taal en cultuur en een Marokkaans gezin aan de eettafel. „Kijk, daar ligt mijn lepel”, wijst Robert. „Ik at een hapje mee met die mensen. Het was nooit even snel een foto maken en hup dan weer weg. Nee, eerst vertrouwen kweken. Ik kwam in de privésfeer terecht: bruiloften, besnijdenisfeesten.”

Opvallend dat niemand op de foto’s islamitisch gekleed gaat. „Ach”, zucht Robert, „dat is pas in zwang gekomen na Pim Fortuyn. Men greep als reactie terug op het geloof. Vóór die tijd speelde religie nauwelijks een rol.” En dus ziet de bezoeker veelal gastarbeiders in Turkse en Marokkaanse boerenkleding.

Robert de Hartogh fotografeerde bijna een halve eeuw de verkleurende stad. Altijd op projectbasis, en vaak voor de gemeente. „André van der Louw vroeg mij in 1980 als extern migranten-adviseur. Dat ben ik tien jaar gebleven.” In 2014 legde hij de camera neer. Oorzaak: glaucoom, een oogziekte. „Ik mis het hoor, fotograferen was mijn leven. Maar het gaat niet meer. Ik zie alles alsof ik onder de douche sta.”

Wandelend over de expositie: „Ach ja, de tijden van toen zijn voorbij. Het is een veel hardere tijd. Niet voor niets laat ik vooral jongeren zien. Zij zijn de toekomst van de stad. Een stad waar het er gelukkig nog steeds vrij fatsoenlijk aan toe gaat. Wij hebben geen banlieues, zoals Parijs.”