Rechterhand van Gambia’s kwelgeest Jammeh geeft executies toe

Waarheidscommissie Gambianen horen iedere dag getuigenissen over moord en verkrachting onder ex-president Yahya Jammeh. „Ik ben verantwoordelijk voor die misdaad, meneer.”

De voormalige Gambiaanse minister van Defensie Edward Singhateh in gesprek met president Yahya Jammeh tijdens een campagne bijeenkomst in 2006.
De voormalige Gambiaanse minister van Defensie Edward Singhateh in gesprek met president Yahya Jammeh tijdens een campagne bijeenkomst in 2006. Foto Seyllou Diallo

Al maanden zijn de Gambianen in de ban van de bekentenissen over de gruweljaren van hun ex-president, Yahya Jammeh. Afgelopen dagen kwam eindelijk het hoogtepunt waarop ze hadden gewacht. Met timide stem vertelde Edward Singhateh, voormalig minister van Defensie en de rechterhand van Jammeh, tot in detail over de moorden en martelingen die onder zijn 22-jarige regime waren begaan.

En hij bekende. „Ik ben verantwoordelijk voor die misdaad, meneer”, sprak de ooit zeer gevreesde Singhateh tot de Commissie voor Waarheid, Verzoening en Reparatie in de hoofdstad Banjul. Het lijkt of heel Gambia kijkt en luistert naar de onthullingen voor de begin dit jaar begonnen Commissie. Eerder werkten Liberia en Ivoorkust werkten met dergelijke commissies na periodes van grote wreedheid, en Zuid-Afrika na de apartheid. In Gambia wordt deze commissie als mogelijk alternatief gezien voor het verre, meer formele Internationaal Strafhof in Den Haag.

Singhateh was de sterke man achter de megalomane president Yahya Jammeh die het kleine west-Afrikaanse land van 1994 tot 2017 leidde. Hij werd geboren in Engeland, vertrok met zijn Britse moeder en Gambiaanse vader naar Gambia, en ging daar het leger in. Door een militaire coup bracht hij Jammeh aan de macht, die hem vervolgens minister van defensie maakte. Twaalf jaar later kreeg hij ruzie met de president, ging rechten studeren aan de Universiteit van Banyul en werd advocaat. Eerdere getuigen voor de commissie beschreven hem als wreed, sadistisch en achtten hem verantwoordelijk voor vele moorden.

Eerste bloedbad

Het eerste bloedbad onder Jammeh vond plaats direct na de coup, toen de nieuwe machthebbers vreesden voor een tegencoup. Ze lieten twee kazernes aanvallen en executies uitvoeren. „Maak geen gevangenen, had Jammeh ons verteld” zei Singhateh. Talrijke militairen werden geëxecuteerd in zijn aanwezigheid. „Ik gaf mijn mannen bevelen om te schieten, maar heb zelf niet geschoten”, bekende hij, „en ik bied mijn diepste verontschuldigingen aan. Wat we deden was illegaal, wat er plaatsvond was verachtelijk.”

Toch probeerde hij zich vrij te pleiten. Eerdere verdachten en slachtoffers van nabestaanden voor de commissie hadden hem ook in verband gebracht met martelingen. Hoewel Singhateh niet tegensprak dat die plaatsvonden, ontkende hij zelf te hebben gemarteld. Evenmin nam hij persoonlijke verantwoordelijkheid. In plaats daarvan gaf hij het regime de schuld. „Het afschuiven van schuld aan het collectief hoort bij dit soort waarheidscommissies”, zegt Thijs Bouwknegt, onderzoeker bij het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocide Studies in Amsterdam.

Sociale druk

De waarheidscommissie in Gambia is volgens Bouwknegt een groot succes. „Veel hooggeplaatste mensen verschenen vrijwillig voor de Commissie, er bestaat sociale druk om op te komen dagen.” Na het einde van de apartheid in Zuid-Afrika in 1994 konden verdachten voor een waarheidscommissie verschijnen in ruil voor amnestie, legt hij uit. „Dat is niet het geval in Gambia, na de beëindiging van de commissie eind dit jaar kunnen ze nog steeds worden aangeklaagd.” De waarheidscommissie gaat nog door tot eind dit jaar. Daarna moet het besluit vallen of verdachten worden vervolgd.

De waarheidscommissie in Gambia is ook uniek omdat er een speciaal fonds bijhoort voor de slachtoffers en nabestaanden. De huidige regering, onder leiding van president Adama Barrow, die eerder dit jaar de doodstraf afschafte, stortte daar onlangs een miljoen dollar in.

Yahya Jammeh vluchtte begin 2017 naar Equatoriaal-Guinea. Hij moest zijn geliefde collectie Jaguars, een Rolls Royce en Mercedessen tot zijn verdriet achterlaten. Die auto’s worden nu verkocht door de regering. De opbrengst wordt in het nabestaandenfonds gestort.

Lees ookdit eerdere verhaal over de Gambiaanse waarheids-en verzoeningscommissie