Opinie

Klimaatbeleid duur? Niets doen kost véél meer

Klimaatkosten Toekomstige generaties hebben meer geld en betere technologie om klimaatverandering te voorkomen. Maar daar kunnen we niet op wachten, betoogt wetenschapsjournalist Rolf Schuttenhelm.

De Indiase stad Chennai kampte deze zomer met een ernstig watertekort.
De Indiase stad Chennai kampte deze zomer met een ernstig watertekort. Foto Arun Sankar/AFP

Tegenstanders van klimaatbeleid hebben één valide argument: het kost geld. Daar verzinnen sommigen helaas een cultus van wetenschapsontkenning omheen, die elke verdere discussie onmogelijk maakt. Maar dat punt van de kosten is, mits er geen cijfers worden bij bedacht, legitiem – en dus is het goed om een zorgvuldige afweging te maken.
Daarvoor moeten we ook kijken naar de baten. De baten van klimaatbeleid zitten primair in iets wat we maatschappelijk vanzelfsprekend achten: de beschikbaarheid van energie. Die is er nu, en moet er in de toekomst ook zijn. Klimaatbeleid voorziet daarin: voor bijna de helft via verbeterde energie-efficiëntie, en voor de rest via ontwikkeling van koolstofarme energiebronnen – zo tonen scenario’s van het Internationaal Energie Agentschap.
Maar daarmee is het plaatje nog niet compleet. Je moet de kosten van klimaatbeleid ook altijd vergelijken met de kosten van niets doen. Deze maand is het dertien jaar geleden dat de Britse econoom Nicholas Stern dat punt overtuigend maakte in zijn Review on the economics of climate change: de schade van klimaatverandering op de wereldeconomie is veel groter dan de investeringskosten om de schade af te wenden.
Maar klopten zijn cijfers wel? Er was bijval, maar ook kritiek. Gelukkig staat wetenschap nooit stil: in recentere jaren is met tal van studies geprobeerd de economische schade van klimaatverandering te kwantificeren. Dat blijkt nog behoorlijk lastig.

Ook ‘koude landen’ betalen

Volgens sommige studies vergroot klimaatverandering vooral de economische ongelijkheid: onder business as usual-emissies nemen de gevolgen zo sterk toe, dat arme landen in warme klimaatzones tot 20 procent van hun bruto binnenlands product kunnen verliezen, becijferde een Amerikaanse onderzoeksgroep twee jaar geleden in Science. De VS komen in hetzelfde scenario weg met ‘slechts’ enkele procenten bbp-daling.
Klimaatonderzoekers van de Universiteit van Cambridge zijn het niet eens met die scheiding. Zij beschreven afgelopen augustus hoe ook ‘koude landen’ juist extra zwaar getroffen worden, omdat opwarming er versterkt plaatsvindt. De Canadese economie zou 12 procent krimpen als de uitstoot van broeikasgassen deze eeuw blijft stijgen.
Dat is een zorg die het Kremlin inmiddels ook lijkt te delen, gezien de opvallende draai in klimaatretoriek van de Russen, die in september, te midden van Siberische bosbranden (en dreigende daling van landbouwopbrengsten, miljardenschade door smeltende permafrost) alsnog het klimaatakkoord van Parijs hebben geratificeerd. Een steuntje in de rug voor de VN.

Waardevolle nieuwe cijfers, dertien jaar na de beroemde Stern Review

Een paar weken geleden presenteerde een internationale expertgroep in Science een update van het héle plaatje: de kosten van klimaatbeleid versus de verwachte schade van niks doen. Het was een wat ongelukkige publicatiedatum. Want vrijwel tegelijkertijd verscheen een WMO-rapport dat meldde dat het hele klimaatprobleem in een hogere versnelling is beland, én het speciale rapport over ijskappen en oceanen van het IPCC: óók al een aanscherping van de urgentie. De economiestudie kreeg daardoor vrijwel geen media-aandacht. Terwijl het dertien jaar na de Stern Review zulke waardevolle nieuwe cijfers bevatte.
De publicatie stelt iedereen in het gelijk die beweert dat klimaatbeleid duur is: om Parijs te laten slagen is tot 2050 wereldwijd een jaarlijkse investering van 2.500 miljard dollar in duurzame energie nodig – en 775 miljard in energiebesparing. Maar de publicatie stelt ook iedereen in het ongelijk die daaraan toe zou voegen dat het een slechte investering is. De totale kosten van ongebreidelde opwarming worden door deze onderzoeksgroep geschat op een half biljard (500.000 miljard). Dat is een rendement van 1 op 5.

Schade versus investering

Er zijn nog wel de nodige haken en ogen. De vermeden schade is vooral voor mensen na ons: veel schadestudies kijken naar het jaar 2100, maar de onderzoekers in Science nemen ook de volgende eeuw mee. En er is nog een groot kwalitatief verschil: de ene is een schadepost, de andere een investering.
Investeringen tellen elders in de economie vanzelfsprekend als inkomsten, helaas vooral voor sectoren die nu nog te klein zijn om eenzelfde lobbykracht te hebben als sectoren waarvoor klimaatbeleid een existentiële bedreiging vormt. Dat is er uiteindelijk maar één, met een toepasselijke naam: fossiel.
De experts maken nog iets duidelijk: een groot deel van de ecologische en sociale schade van klimaatverandering blijft economisch niet te kwantificeren. Zoals afnemende ‘ecosystem services’ en mogelijke ‘disruption and displacement of human communities’.

Lees ook: deze column van Tim Harford over de Stern Review

Zo kunnen wij in Nederland kijken naar de Alpen, waar de gletsjers wegsmelten als sneeuw voor de zon. Daardoor valt onze Rijn in de zomer straks half droog. Je kunt de economische schade voor binnenvaart, waterbeheer en verzilting in de landbouw nog wel proberen te kwantificeren. Maar met de eeuwige sneeuw wordt óók de unieke biodiversiteit van berggebieden steeds verder de helling opgestuurd, tot die over de top gaat. Hoe kwantificeer je die schade, de grote achteruitgang van het aardse leven?
De vergelijking tussen ‘the cost of action’ en ‘the cost of inaction’ is uiteindelijk een grote oefening in het vergelijken van appels en peren. Maar voor wie de ogen open heeft: de schade van niets doen is véél groter. En treuzelen verlaagt jaar op jaar het rendement, en vergroot zo de uiteindelijke kosten van klimaatverandering – wie die ook moge betalen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.