Jonggehandicapte werkt nu, maar is wel armer geworden

Participatiewet Door nieuwe regels hebben nu meer jongeren met een handicap een baan. Toch is hun inkomen lager dan onder de vorige regeling.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Jonggehandicapten hebben vaker een baan, maar ook een lager inkomen en meer financiële onzekerheid sinds in 2015 de Participatiewet is ingevoerd.

Dat concludeert economisch onderzoeksbureau SEO in een donderdag gepubliceerde evaluatie van het beleid rond jonggehandicapten. Het onderzoek is betaald door Instituut Gak, een fonds dat onderzoek naar sociale zekerheid financiert.

Het sociaal vangnet voor jonggehandicapten is versoberd met de Participatiewet. Voorheen kregen zij vanaf hun achttiende verjaardag een levenslange Wajong-uitkering, die rianter is dan de bijstand. Maar het vorige kabinet, Rutte II, wilde een goedkopere en meer ‘activerende’ regeling.

De toegang tot de Wajong werd grotendeels gesloten. Wie al was toegelaten, mocht blijven, maar de instroom werd beperkt tot jongeren die nooit meer betaald werk kunnen doen. Alle ‘nieuwe’ jonggehandicapten vallen, net als andere Nederlanders, terug op de sobere en strengere bijstandsregels als ze werkloos raken.

Dat is ook de meest logische verklaring dat jonggehandicapten onder de nieuwe regels vaker werk hebben, zegt SEO-onderzoeker Lucy Kok. „Ze hebben een grotere financiële prikkel om een baan te vinden.”

Tijdelijke contracten

De onderzoekers volgden vier jaar lang de eerste groep jonggehandicapten die op hun 18de met de nieuwe regels in aanraking kwamen. Hen vergeleken ze met de ongeveer 6.500 18-jarigen die een jaar eerder als laatsten instroomden onder de oude regels.

Wat bleek? Van de jongeren die op hun achttiende instroomden in de oude regeling, had 29 procent na drie jaar een baan. Bij de eerste 18-jarigen onder de nieuwe wet was dat 38 procent, ook na drie jaar.

Bij bijna driekwart van de nieuwe instromers gaat het om een tijdelijk contract – werkgevers blijken nog steeds huiverig om vaste contracten te geven. Maar werkgevers moeten vaak ook meer moeite doen om deze mensen in hun bedrijf „in te passen”, zegt onderzoeker Kok, vooral als ze een verstandelijke handicap of gedragsproblemen hebben.

Lees ook: De inclusieve werkvloer blijft een verre droom

Opvallend is dat het gemiddelde inkomen van jonggehandicapten onder de nieuwe regels zo’n 18 procent lager ligt dan bij de onderzochte Wajong-groep. Op het eerste gezicht is dat onlogisch: onder de nieuwe regels hebben meer jongeren immers een baan. Een van de oorzaken is een tweede versobering, die ook gevolg is van de Participatiewet.

Jongeren vrezen dat ze nooit een zelfstandige woning kunnen betalen

Die versobering raakt jongeren met een kleine deeltijdbaan, vaak omdat ze een ‘urenbeperking’ hebben. Hun maandelijks loon is lager dan de werkloosheidsuitkering. Onder de nieuwe regels worden doorgaans al hun bijverdiensten ingehouden op de bijstandsuitkering. Daardoor komen de jongeren niet boven bijstandsniveau uit. Jongeren in de oude regeling mogen vaker een deel van hun bijverdiensten houden.

Ook scholieren en studenten met een bijbaan zijn slechter af onder de nieuwe regels. Onder de Wajong hebben zij recht op een aanvullende uitkering, onder de bijstandsregels niet.

Jonggehandicapten onder de nieuwe regels zijn dan ook onzekerder over hun financiën, concluderen de onderzoekers, die ook diepte-interviews hebben gehouden. Jongeren vrezen bijvoorbeeld dat ze nooit een zelfstandige woning kunnen betalen. „Ik wil heel graag het [ouderlijk] huis uit, maar dat gaat gewoon niet”, zei een 21-jarige tegen de onderzoekers. „Ik wil gewoon zelf iets gaan opbouwen. Ik voel mij ook bezwaard tegenover mijn ouders.”

Verschillende regels

Werkgevers zijn ook niet onverdeeld positief over de veranderingen, blijkt uit het rapport. Voor de ‘Wajongeren’ houden zij contact met de landelijke uitkeringsinstantie UWV, voor de nieuwe groep jonggehandicapten met gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de Participatiewet.

Grote bedrijven die meerdere arbeidsgehandicapten in dienst hebben, moeten daardoor contact houden met diverse gemeenten, die verschillende regels en procedures hebben. Bovendien vinden werkgevers gemeenteambtenaren minder deskundig dan hun contactpersonen bij het UWV. Zoals een werkgever in het onderzoeksrapport zegt: „Bij het UWV duurt alles lang, maar dan zit het wel goed in elkaar.” Kleine bedrijven zijn wel positiever over gemeenten. Daar ervaren ze minder administratieve lasten dan bij het UWV.