‘In het Koerdisch wordt opera echt’

Koerdische opera De Koerdische Celil Toksöz vluchtte 32 jaar geleden naar Nederland. Hij ontdekte theater en werd regisseur. Dit jaar begon hij aan een lang gekoesterde droom: een Koerdische ‘Tosca’.

Tosca van Theater Rast
Tosca van Theater Rast Foto Jean van Lingen

Een tiran, een voortvluchtige, een martelaar, en een misbruikte. Of nee, die laatste toch net niet. Vlak voordat Baron Scarpia zijn handen op Floria Tosca kan leggen, geeft zij hem haar ‘kus van Tosca’: een dolk tussen zijn ribben. Zo kwam het allemaal goed. Voor even.

Celil Toksöz (59), regisseur van Theater RAST uit Amsterdam, las het libretto van Tosca eerder dan dat hij de opera van Puccini zag. Jaren geleden al, toen hij net als links-activistische Koerd na ruim vier jaar gevangenisstraf in Turkije naar Nederland was gevlucht. Het raakte hem meteen. Een verhaal over politiek, liefde en machtsmisbruik, met personages die tot het uiterste gaan om hun doel te bereiken. Natuurlijk botst het. Uiteindelijk wordt het iedereen fataal. Toksöz herkende er de onderdrukking in die hij net had achtergelaten.

Vier jaar geleden gooide hij een balletje op bij zijn vriend, de Koerdische dichter en vertaler Kawa Nemir (44). De Koerdische Hamlet die ze net hadden neergezet, was een succes geworden, wat als Nemir nu Tosca eens zou vertalen? Hamlet was al uniek, maar met Tosca zouden ze hun taal zelfs een compleet nieuw genre kunnen schenken: Koerdische opera. Ook de muziek zou vertaald moeten worden. Daarvoor vroeg Toksöz zijn Armeense vriend Ardashes Agoshian (42), die al eens een kinderkoor voor hem gearrangeerd had.

Tosca van Theater Rast

Foto Jean van Lingen

Nemir kan zich nog herinneren dat hij Tosca voor het eerst zag. „Toen ik een jaar of zestien was, in Istanbul, in het Turks”, vertelt hij in een kantoortje van café/theater Podium Mozaïek in Amsterdam. „Een libretto is nieuw voor de Koerdische taal. Normaal heb ik weinig moeite met het vinden van het juiste woord, maar nu moet het ineens geschikt zijn om te zingen. Ik heb eerst wel twintig Tosca’s geluisterd en toen heb ik het hele stuk hardop vertaald om te horen of het wel paste. Daarna wilde Ardashes dat ik het voor hem opnam. Hij heeft muziek gecomponeerd bij mijn gesproken tekst.”

Bescherming

Enkele maanden geleden vertrok regisseur Toksöz naar Turkije, naar een vertrouwd theater in zijn geboorteplaats Diyarbakir. De Koerdische Tosca zou er na jaren dromen eindelijk komen en het zou zich hier gaan afspelen. Het liep anders. Plotseling werd de burgemeester van de stad afgezet. Alle bescherming van het theater verviel. Een Koerdisch stuk? Nee, dat moest de nieuwe overheid niet, vertelt Toksöz aan de telefoon vanuit Turkije. Met de huidige spanningen is zijn Tosca alleen maar actueler geworden, maar hij moest tegenslag na tegenslag verwerken. Zo werd het Agoshian in Diyarbakir te veel. „Hij is een Armeense componist die een Koerdisch stuk componeert in een Turkse stad. Zonder bescherming werd dat veel te gevaarlijk.” Om toch door te kunnen, verhuisden ze in allerijl naar een veilige buurt in Istanbul. Een aderlating, want drie acteurs en een muzikant konden zo lang niet van huis zijn en bleven achter. Toksöz moest op zoek naar een nieuwe plek en nieuwe mensen, enkele weken voor de première.

Hij vond beide. „We repeteren nu in een theater waarvan de bovenliggende kantoren vorige maand zijn afgebrand. Het stinkt er, maar het is er wel rustig.” Ze verschuilen zich letterlijk ondergronds. Niemand vermoedt dat er onder het verkoolde puin een theatergezelschap repeteert. Zelfs hun try-outs houden ze er. Niet zoals gepland groots aangekondigd in drie verschillende steden, maar onder de radar, voor vertrouwelingen die ze uitnodigen via Whatsapp. De echte voorstellingen gaan in Turkije helemaal niet meer door. „De sfeer is veranderd. Je moet op straat geen kleur bekennen.” Agoshian durft niet te antwoorden op vragen over het mogelijke gevaar dat hij liep. Vertaler Nemir maakt alles mee via Skype. Turkije is voor hem überhaupt te onveilig.

Het is een ander project geworden dan de drie hadden verwacht, eigenlijk hebben ze te weinig tijd. Ook de repetities gaan trager. Toksöz: „Mijn spelers zijn allemaal Koerdisch, en bang. Telefoons zijn op mijn repetities streng verboden, maar op een middag kwamen twee spelers in paniek naar me toe. ‘Celil, we móéten weten wat er gebeurt!’ Wat moet je dan? Nu luisteren ze ieder uur naar het nieuws.” De 2 uur en 10 minuten speelduur heeft hij ingekort naar een kleine anderhalf uur.

Het lijkt wel een wonder hoe goedlachs Toksöz toch nog is. „Er is geen dag geweest dat ik niet heb gedacht: nu stop ik echt.” Maar afzeggen was geen optie. Daar staat tegenover dat er voor Toksöz’ spelers een wereld is opengegaan. „Normaal geven ze kleine concertjes in cafés, waar mensen heen en weer lopen. Nu wordt er ineens naar ze gekeken en geluisterd. Dat is waarvoor ze hebben gestudeerd!”

Zoals de opera zich in eeuwen verspreidde en ieder land er iets eigens mee deed, zo zetten Toksöz, Nemir en Agoshian nu de deur open voor een Koerdische variant. Agoshian wil per e-mail één misverstand uit de wereld helpen: „Ik heb de muziek van Puccini niet hergebruikt. Van zijn muziek vind je geen spoor meer. Ik wilde een nieuwe muzikale vorm uitvinden, gebaseerd op het oude Mesopotamië. Hoe zou een Mesopotamiër zijn gevoelens van liefde, boosheid, jaloezie, haat of passie uitdrukken?” Agoshian gebruikte bekende Koerdische wijsjes. Het grootste verschil: „Europese muziek is romantisch, Mesopotamische muziek is mystiek.” De publieksfavoriete aria’s Vissi d’Arte en E lucevan le stelle zullen dus onherkenbaar zijn voor de liefhebber. „Oh, maar het is hartverscheurend hoor”, belooft Toksöz.

Nemir noemt het resultaat voor nu een „ballade-opera”. Hij doelt daarmee op de belangrijkste eigen toevoeging: de dengbêj – een Koerdische troubadour die het Koerdisch in leven hield toen de taal in Turkije verboden was. Een dengbêj zal de Tosca vertellen: „Dames en heren, dit is geen verhaal van hier. Dit is een verhaal van de Italianen. U weet wel, die barbaren uit het Westen. Ik waarschuw u, er zal zelfs iemand sterven! U zult wel schrikken.” Veel cynischer kon Nemir zijn dengbêj niet laten openen, natuurlijk schrikt geen enkele Koerd meer van een sterfgeval. Toksöz: „In Europa is een opera een stel-je-voor-verhaal. Stel je voor dat een zangeres in Nederland echt iemand van Binnenlandse Zaken zou neersteken. Maar hier is zoiets realiteit. In het Koerdisch wordt opera echt.” Als ik hem vraag welke spelers in het conflict hij voor zich ziet bij welke rol, rolt er een bulderlach door nachtelijk Istanbul. „Als ik dat zou zeggen, kom ik Turkije niet meer uit.” Is het echt zo erg? „Ja.”

Toksöz, plotseling ernstig: „Koerdische mensen zijn nu alleen maar bekend omdat ze vechten en doodgaan. Wij willen laten zien dat we ook kunstenaars zijn, zangers en zangeressen.” Maar waarom dan niet meteen een opera met een Koerdisch verhaal? Volgens Nemir bloeide Koerdische literatuur twaalf eeuwen lang, tot de Turkse staat het bestaan ervan ontkende en verbood. Is dit geen mooie kans om dat weer eens op te duikelen? Het blijkt een vraag die ongeveer elke Koerd op Toksöz’ pad ook heeft gesteld: „‘Celil, pak dan een van ónze verhalen!’ Maar jongens, er zijn genoeg Koerdische regisseurs die dat doen. Ik woon al 32 jaar in Nederland, ik ben Hollander. Ik heb theater in Nederland pas ontdekt. Als ik nu een Koerdisch verhaal pak, voelt dat bijna oriëntalistisch. Ik heb ze gezegd: ‘Ik maak er toch een Koerdisch verhaal van? Tosca is ook ons verhaal.’”