Het boerenverstand

Ewoud Sanders

Woordhoek

‘Boeren zijn altijd al de lul”, hoorde ik een protesterende agrariër zeggen, en taalkundig gezien heeft hij een punt. De positie van de boer in het Nederlands is niet best.

Hoe noemen wij iemand die zich onbehouwen of ronduit onbeschoft gedraagt – zeg maar boers? Een boerenlul. Of boerenpummel. Maar kortweg boer kan ook. „Dat is een ontzettende boer!” De Dikke van Dale vermeldt als vierde betekenis bij boerin: „lompe of ongemanierde vrouw”.

Dit is slechts het topje van de ijsberg. Wie lacht als een boer met kiespijn, lacht zuur of zuinigjes. Wat de boer niet kent, dat (vr)eet hij niet geeft geen positieve indruk van de culinaire fijnzinnigheid van de agrariër, hoewel boeren- in samenstellingen als boerenkeuken tegenwoordig juist iets gunstigs inhoudt: eenvoudig doch smakelijk. Een boer blijft een boer (‘je kunt je afkomst niet verloochenen’) contrasteert met de flexibiliteit die landbouwers en veehouders hebben getoond. Van alle vormen van bedrog blinkt boerenbedrog uit door onnozelheid, want dit betekent ‘zeer doorzichtig bedrog’.

Tot zover de uitdrukkingen die je geregeld leest of hoort. In naslagwerken zijn nog honderden andere te vinden en de meeste zijn negatief. Een uitzondering is daar kan ik met mijn boerenverstand niet bij (‘dat begrijp ik niet’), want boerenverstand betekent: gezond, nuchter verstand. Precies het verstand dat nu bij veel boeren en sommige politici lijkt te ontbreken in discussies over de voornaamste bron van stikstofoverschot.

„Vanouds zijn de boeren het voorwerp van schimp en spot geweest, vooral wegens hunne onbeschaafdheid en ongemanierdheid”, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1893. Dat zal geen verbazing wekken; maatschappelijk stonden zij onderaan de ladder.

Mijn hypothese is dat ‘vreemdelingen’ er in onze taal het slechtst vanaf komen. Denk aan joden, zigeuners, Turken en mensen met een donkere huidskleur – kijk in woordenboeken maar bij neger, nikker of zwarte. Daarna komt de boer.

„Een boer is naeu [ternauwernood] een mensch, hij gaet met beesten om/ En wie geen beest en is, is hem niet wellekom” dichtte Jacob Cats al in 1655. Twee spreekwoorden die hierbij aansluiten, zijn te vinden in een naslagwerk uit 1858: Een boer en een varken zijn net gelijk, want ze worden beiden al knorrende vet, en: Een boer en een zog hebben nooit genog.

Ik voorspel dat de boerenprotesten taalkundig van invloed zullen zijn. Wat betreft protestleuzen hebben ze een trend bevestigd die is ingezet door de klimaatprotesten van scholieren: de protestleus op sinterklaasrijm. Bekijk foto’s van demonstraties tegen de oorlog in Vietnam (vanaf eind jaren zestig) en die tegen kruisraketten (1983). Je moet er met een lampje zoeken naar rijmende leuzen. Ik vond onder andere „Christus leer: de wapens neer!” (Vietnam) en „Oost-West, zonder kernwapens het best”. Maar verder uitten de demonstranten indertijd hun ongenoegen vooral met niet-rijmende leuzen als het beruchte „Johnson moordenaar” en „Dikke lul kruisraket”.

Bij de protesten op het Malieveld was er bijna geen trekker te vinden zonder leus op rijm. Mooie korte vond ik: „Boer op actie toer”, „Schijt aan dit beleid” en „Geen geouwehoer, waardeer onze boer”.

Wat dit betreft hebben de boeren gelijk: dergelijke leuzen wekken sympathie op en doen het zo goed in de media dat ze er extra aandacht mee krijgen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders