Rob Degeling in zijn caravan op camping de Gouwe Stek. Al meer dan twee jaar strijdt Degeling met Defensie over zijn revalidatie.

Foto Lars van den Brink

Een bonkende speedboot sloopte marinier Rob Degeling

Defensie Marinier Rob Degeling voer jaren met een speedboot keihard over de Caribische Zee. Nu kampt hij met zware lichamelijke klachten en een onwelwillende werkgever: Defensie.

Als marinier Rob Degeling wakker wordt, hoort hij het vaak regenen op het dak van zijn caravan. Hij ziet de koffer die hij ruim twee jaar geleden inpakte toen hij naar Nederland werd gestuurd om te revalideren. Hij voelt de pijn in zijn nek, heupen en rug, het gevolg van jarenlang te hard met een Nederlandse marine-speedboot op de golven klappen in de Caribische Zee. Hij mist zijn ‘meisje’ en de kinderen, die achterbleven op Curaçao. En zij missen hem.

Het wordt weer een lange dag, denkt Rob Degeling dan.

’s Ochtends laveert hij op boerencamping de Gouwe Stek tussen de plassen naar het toilethok. Daarna naar de kantine voor koffie, gevolgd door een ommetje door het Noord-Hollandse Bovenkarspel. Lopen moet, om zijn hoofd leeg te maken en het pijnlijke lijf in beweging te houden.

Rob Degeling is een van de vergeten veteranen waarover Veteranenombudsman Reinier van Zutphen medio oktober de noodklok luidde. Al meer dan twee jaar strijdt Degeling met Defensie over zijn revalidatie. Dat de afwikkeling eindeloos lang duurt, heeft zijn zaak gemeen met die van andere veteranen. Maar zijn verhaal is om nog een andere reden pregnant. Defensie wist dat hij fysieke schade kon oplopen van de vele vaaruren op de ultrasnelle speedboot. Maar dat werd hem nooit verteld.

Vluchtende kapers

Sergeant-majoor Rob Degeling (41) is een West-Fries. Hij groeide op in Bovenkarspel, doorliep de mavo en de meao. Na een stage bij een techniekbedrijf wist hij: ik ben geen man voor op kantoor. Hij koos voor het Korps Mariniers, een elite-onderdeel van de marine, gespecialiseerd in amfibische operaties.

Degeling had daar „fantastische jaren”. Hij was gestationeerd op Texel, bij de Joost Dourleinkazerne in Den Hoorn. Daar werd hij opgeleid tot landing craftsman, bestuurder van de landingsvaartuigen waarmee mariniers op vijandige kusten worden gezet. In 2004 kwam hij zijn latere vrouw tegen, een Française. Ze verhuisden naar het Noord-Hollandse Grootebroek en kregen twee dochters en een zoon.

Degeling aarzelde niet toen in 2012 de vraag kwam of hij mee wilde met de antipiraterijmissie Ocean Shield, langs de Hoorn van Afrika. Want, zegt hij: „Dat is toch waar je het voor doet, als marinier. Al die jaren trainen. En ik was toch al vaak van huis.”

De missie viel hem zwaarder dan verwacht. Het begon al bij de afvaart. Op de officiële dag van vertrek was het hightech transportschip dat naar Somalië zou varen, de Zr. Ms. Rotterdam, nog niet klaar. Toch voer het schip uit – uitgezwaaid door familieleden. Zodra de kade uit zicht was, maakte het rechtsomkeert, zodat voor de kust van Den Helder de laatste bevoorradingen plaats konden vinden.

Degeling: „Ons vertrek was voor de show. Die datum was nou eenmaal geprikt. Toen we de volgende dag echt klaar waren, zag ik de Rotterdam opeens wegvaren. Ik heb toen het schip opgeroepen: ‘zijn jullie niet iets vergeten?’ Dat klopte – ze hadden onze vaartuigen en de bemanning over het hoofd gezien.”

Langs de Somalische kust moest Degeling patrouilles varen om lokale schepen en de kustlijn in kaart te brengen. Dagen achter elkaar, op een landingsvaartuig dat daar eigenlijk niet geschikt voor was. „Er was geen toilet aan boord, de nachtzichtapparatuur was slecht en we hadden achterop het schip geen wapen. De kust waar we dicht langs voeren was chaotisch en soms gevaarlijk.”

Lees meer over de antipiraterijmissie: Aan de Somalische kust weet je nooit wie goed of slecht is

Na een paar dagen in het missiegebied stond Degeling oog in oog met een stel kapers. Ook was hij in oktober 2012 getuige van een van de heftigste gevechten van de missie. Daarbij liepen drie kleine Nederlandse vaartuigen in een hinderlaag, waarna de mariniers het vuur openden. Degeling hielp een groot aantal drenkelingen en gewonden aan boord van het schip en achtervolgde een boot vol vluchtende kapers. De volgende dag draaide hij weer patrouille.

„Ik kwam niet tot rust en voelde me dat half jaar door mijn leidinggevenden in de steek gelaten. Naar huis bellen was bijvoorbeeld praktisch onmogelijk. Er waren voor ons twee satelliet-telefoons op de Rotterdam. Eén was stuk, voor de andere was een intekenlijst. Maar omdat ik meestal op het water was, viste ik altijd achter het net.”

Troetelboten

Degeling had Somalië nog niet goed verwerkt toen hij in 2014 bootgroepcommandant werd op Curaçao. Daar stuurde hij een team van zes man aan, dat vier Friscs tot de beschikking had. Deze Fast raiding interception and special forces crafts waren de nieuwe troetelboten van de marine: snel, wendbaar, en zowel inzetbaar op de Noordzee als in het Caribisch gebied – bijvoorbeeld voor het onderscheppen van drugstransporten.

Hij voelde zich thuis op Curaçao, net als zijn gezin. Zijn vrouw begon een praktijk aan huis, in massage en Chinese geneeskunde. Degeling was niet langer wekenlang achter elkaar van huis. In plaats daarvan stond hij vrijwel dagelijks aan het roer van een Frisc.

Druk kwam vooral van de man boven hem, die zich wilde profileren binnen Defensie. Die man nodigde de ene na de andere eenheid uit voor een oefening op Curaçao. Duikteams, scherpschutters, mariniers, kikvorsmannen, de kustwacht, buitenlandse eenheden: allemaal werden ze door Degeling en zijn bootgroep pijlsnel rond het eiland gevaren. Ook werd zijn team ingezet als Nederland noodhulp bood in de regio, bijvoorbeeld na een orkaan.

Beetje bij beetje kwam de pijn. De Friscs waren getest op de vlakke Waddenzee, maar de golven van de Caribische Zee zijn vele malen hoger. Vooral de verkorte versie van de speedboot, aangeschaft omdat die anders niet paste in het beoogde transportschip, beukte met een enorme kracht op de golven. Wat ook niet hielp: de vering van de bestuurdersstoel was ondeugdelijk, waardoor de klappen moesten worden opgevangen door de bestuurder.

De klappen op de golven blijken veel langer te duren dan de stoelen aan boord kunnen opvangen

Rob Putters bedrijfsarts marine

En dat was – maanden achtereen – Rob Degeling. „Een marinier zegt in principe geen nee. Ook ik ging er vanuit dat mijn lijf onverwoestbaar was. Maar begin 2016 kon ik opeens niet meer hardlopen. Ik kreeg een paar dagen vaarverlof, maar de klachten werden steeds heviger.”

In oktober 2016 meldde Degeling zich ziek. Een paar weken later kwam hij marinebedrijfsarts Rob Putters tegen, voorzitter van de ‘werkgroep fysieke belasting Frisc’ – die al sinds 2013 bleek te bestaan. Putters zag het direct: Degeling had ‘Frisc-slijtage’ en moest onder de scan.

Ruim een jaar later, begin 2018, gaf Putters een afscheidsinterview aan het defensieblad Materieelgezien. Hij legde daarin uit dat de Frisc „zijn eigen krachten niet kent”, en dat opvarenden grote risico’s lopen.

„De klappen op de golven blijken veel langer te duren dan de stoelen aan boord kunnen opvangen”, aldus Putters in het interview. „Metingen wijzen uit dat je over alle bewegingsassen wordt blootgesteld aan zeer hoge G-krachten. We hebben valversnellingen gemeten tussen 10 en 15G. Daar is bijna niet op te trainen. De impact daarvan kan bijvoorbeeld leiden tot wervelfracturen, staartbeenbreuken en knieschijven die uit de kom raken.”

Hoe vaak dit is gebeurd bij marinepersoneel en opvarenden is niet bekend. Degeling zelf kent diverse voorbeelden, maar officiële statistieken zijn niet openbaar.

Soort klokkenluider

In diezelfde periode had Degeling, samen met zijn korporaal, het gedrag van zijn meerdere aangekaart – omdat die te veel eiste van het vaarteam en geen tegenspraak duldde. De man werd „na twee emotioneel beladen groepsgesprekken” overgeplaatst.

Lees ook: ‘Sommige klokkenluiders hebben overtrokken verwachtingen’

Degeling: „Dat heeft kwaad bloed gezet, bij die man en in de organisatie. Ik werd als een soort klokkenluider behandeld, ook door een generaal die kwam kijken wat er aan de hand was.”

In december 2016 kwam de uitslag van de MRI-scan. De diagnose: slijtage in beide heupen. Varen of andere fysieke arbeid zat er niet meer in, een kantoorbaan was het maximaal haalbare. In de maanden daarna breidden de klachten zich uit naar onderrug en nek.

Degeling deed het verzoek op Curaçao te mogen herstellen. Zijn vrouw, moe van de marine en alle verhuizingen, wilde daar blijven. Haar bedrijfje stond op de rit en de kinderen gingen er naar school.

Maar Degeling kreeg een dienstbevel om terug te gaan naar Nederland, om te revalideren en een nieuwe functie te zoeken. Het alternatief, kreeg hij te horen, was dat hij ontslag zou nemen – zonder aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of vergoeding voor fysieke en mentale schade.

Zo pakte Degeling in de zomer van 2017 zijn koffer om bij zijn ouders te logeren. In Nederland bleek niets geregeld. Vier maanden zat hij duimen te draaien, zonder revalidatieplan of reïntegratieplan. Hij sliep slecht en in zijn hoofd herbeleefde hij de chaos in Somalië en de stressvolle jaren op Curaçao.

Toen hij die kerst terug vloog naar Curaçao trof hij zijn gezin ontredderd aan. „Mijn vrouw trok het niet meer, de kinderen waren uit het lood. Ik heb overal aan de bel getrokken, maar niemand wilde helpen. Ik moest terug. Toen er tot overmaat van ramp een knobbeltje in de borst van mijn vrouw werd aangetroffen, heb ik Defensie laten weten dat ik een paar dagen langer op Curaçao zou blijven om mijn vrouw te steunen.”

Defensie pikte dat niet. „Als je niet teruggaat, word je thuis opgepakt, zei de kazernecommandant tegen me. Er werd aangifte tegen me gedaan, omdat ik orders naast me neer zou leggen. Strafrechtelijk werd de zaak geseponeerd en de tuchtrechtelijke procedure won ik, maar de toon was gezet.”

Mondige onderofficieren

De afgelopen twee jaar hebben keuringsartsen, reïntegratiespecialisten en psychologisch begeleiders zich over de zaak- Degeling gebogen. Maar het feit dat hij gescheiden is van zijn familie maakt therapie zinloos, zo staat het in zijn dikke dossier, dat hij in de caravan bewaart.

Defensie wil de zaak niet in de media bespreken, reageert een woordvoerder. Maar, zegt de woordvoerder, een oplossing „vergt ook medewerking van zijn kant. De rechter heeft Defensie twee keer in het gelijk gesteld. Re-integratie dient in Nederland plaats te vinden.”

De reden: Degeling werd slechts voor drie jaar uitgezonden. Zijn tijd op Curaçao zit erop. „Wanneer een militair die in het buitenland is geplaatst ziek wordt en niet meer terug kan keren op de oude functie, vindt het re-integratieproces plaats in Nederland. Daar kan Defensie de best mogelijke begeleiding en zorg bieden.”

Maar volgens Degeling bieden de regels wel de mogelijkheid om op Curaçao te re-integreren. Hij denkt dat zijn zaak om een andere reden vast zit. „De marine heeft weinig begrip voor mondige onderofficieren zoals ik”, vertelt hij. „En waarom heeft nog niemand gezegd dat het onverantwoord was om me de zee op te sturen met een boot waarvan Defensie wist dat die niet deugde?”

Volgende week staat hij op straat. Op 1 november gaat de camping dicht, een nieuw slaapadres heeft hij nog niet. De andere kampeerders zijn al weg, op een enkele seizoenarbeider na.

Terug naar zijn ouders, twee kilometer verderop, kan hij niet. Twee jaar sliep hij daar op een sofa, maar hij zag zijn stress langzamerhand de hunne worden. Terug naar zijn gezin op Curaçao mag hij niet. Tijdelijk in een kazerne slapen zoals defensie hem aanbiedt, wil hij niet.

„Ik ben een rustige jongen”, zegt hij. „Maar ik sta op springen. Ik heb ’s nachts paniekaanvallen in die caravan. En overdag moet ik scherp zijn. Mijn gevecht met de defensie-organisatie kost heel veel kracht. Er moet acuut iets gebeuren.”

Daarom heeft hij besloten zijn verhaal te doen. „Ik wil laten zien hoe slecht defensie met haar eigen mensen en hun families omgaat. Ik ben altijd een loyale militair geweest, maar nu wordt er aan mijn bestaan getornd. Mijn lijf doet pijn en dat wordt echt niet beter in een brakke caravan. Ik ben gescheiden van mijn gezin, heb straks geen dak meer boven mijn hoofd. Mensen, los dit op.”

Reageren? onderzoek@nrc.nl