De Noordzee moet zijn olieplatforms kwijt, maar wie gaat betalen?

Opruimactie Nu de olie- en gaswinning op de Noordzee afneemt, moeten de platforms weg. De overheid moet driekwart van de 5 miljard aan kosten betalen.

Naar verwachting kan maximaal 10 procent van de ongebruikte platforms een duurzame bestemming krijgen.
Naar verwachting kan maximaal 10 procent van de ongebruikte platforms een duurzame bestemming krijgen. Foto Jonas Jungblut/Getty

Vergelijk het met een vervelende klus in je huis die verder geen waarde toevoegt. „Die stel je ook het liefst uit. In de kern speelde hetzelfde rond de ontmanteling van olie- en gasplatforms in de Noordzee”, zegt Theo Vollaard van The Offshore Partners, adviseur en dienstverlener in offshore-activiteiten. Een klus die mogelijk 5 miljard euro gaat kosten. „Nu komt de industrie erachter dat opruimen alleen maar duurder wordt als je installaties langer laat staan. Want de zee is een uitdagende omgeving.”

Door het teruglopen van de olie- en gasvoorraden op zee raken veel platforms hun economische waarde kwijt. Van de 150 installaties op de Nederlandse Noordzee kan de komende vijf, zes jaar de helft tot twee derde worden opgeruimd. Naast die 150 zichtbare platforms gaat het om twintig onderzeese installaties en om zo’n 700 putten die op termijn gedicht moeten worden.

„Inmiddels zijn er 31 platforms opgeruimd, waarvan zeven dit jaar”, zegt Vollaard, gespecialiseerd in de ontmanteling van olie- en gasplatforms. „Maar het gebeurt schoorvoetend. Het tempo moet echt omhoog om de kosten niet te zeer te laten oplopen op het moment dat iedereen wil ontmantelen.”

10 miljoen per platform

Wie verantwoordelijk is voor het opruimen, is geen issue: de betrokken olie- en gasbedrijven. Wie als operator ooit een winningsvergunning heeft gekregen, blijft tot in lengte van jaren verantwoordelijk voor het opruimen.

„De bedrijven hebben voor de kosten voldoende financiële middelen op de balans gereserveerd”, zei Jan Willem van Hoogstraten van staatsbedrijf Energiebeheer Nederland (EBN) eerder deze maand tijdens een briefing aan de Tweede Kamer. „Als EBN houden we dat goed in de gaten”. Het opruimen van een productieplatform kost gemiddeld zo’n 10 miljoen euro.

Studio NRC

Van Hoogstraten legde de Kamer uit hoe het komt dat de Nederlandse staat in de praktijk bijna driekwart van deze kosten voor zijn rekening neemt. Bij alle velden op zee is EBN voor 40 procent aandeelhouder, en dus aansprakelijk voor dat percentage. Daarnaast kunnen de operators ontmantelingskosten van hun winst aftrekken, waardoor minder overblijft voor de staat als aandeelhouder. En minder winst leidt uiteindelijk ook nog eens tot minder winstbelasting.

„Het kost gewoon geld”, zegt Vollaard. „Maar vergeet niet dat we er de afgelopen jaren ook heel veel aan hebben verdiend.”

Kosten verlagen

Juist omdat de opruimactie grotendeels uit de schatkist wordt betaald, pleit EBN voor een doelmatige aanpak. Bij het staatsbedrijf gingen ze in 2016 rekenen hoe hoog de kosten zouden oplopen. „We kwamen uit op 7 miljard euro en maakten ons grote zorgen dat het misschien nog wel hoger zou worden”, zegt Van Hoogstraten. Van dat bedrag gaat 2 miljard naar het opruimen van installaties op land.

Dus is actie ondernomen. In samenspraak met de industrie werd twee jaar geleden Nexstep opgericht. Doel van deze publiek-private samenwerking is de nu voorziene kosten met 30 procent te verlagen. Hoe? Jacqueline Vaessen, directeur van Nexstep: „Onder meer door samen te werken, zodat we aan schaalvergroting kunnen doen. En ook door te kijken of we bepaalde installaties voor hergebruik kunnen inzetten.”

Want de installaties spelen mogelijk ook een rol in de verduurzaming. Lege gasvelden zouden plaats kunnen bieden aan CO2 dat bij bedrijven is afgevangen. En op de platforms kan ook waterstof worden geproduceerd met stroom van nabijgelegen windparken, zo is de gedachte. Die waterstof kan vervolgens met pijpleidingen aan land komen, waardoor het stroomnet veel minder wordt belast.

Toekomstmuziek, zeker, maar waarom platforms slopen als ze tien jaar later toch nog nuttig zouden zijn? „We onderzoeken nu op welke manier de installaties hergebruikt kunnen worden. Vervolgens is het aan de politiek om duidelijkheid te verschaffen”, zegt Vaessen. „Er is zeker behoefte aan regie: die laten we staan en die ruimen we op. We hebben niet de luxe om maar te kijken hoe het gaat lopen.”

Noordzee-energiecommissaris

Regie is ook nodig omdat CCS – de opslag van CO2 – en grootschalige productie van waterstof nog jaren op zich laten wachten. Wie draait op voor de kosten als een platform tien jaar werkeloos moet wachten en toch onderhouden moet worden? Vollaard pleit voor de aanstelling van een Noordzee-energiecommissaris die onder meer alle activiteiten op zee moet coördineren. „Er is al een Deltacommissaris en de ontwikkelingen op de Noordzee worden groter dan de Deltawerken.”

De roep om regie wordt breed gedeeld. Tijdens de briefing in de Kamer lieten ambtenaren van Economische Zaken en Klimaat doorschemeren ook graag duidelijkheid te willen. „Het zou goed zijn als de Tweede Kamer meer aandacht zou vragen voor overkoepelende verhalen, voor een structuurvisie”, zei een ambtenaar. EBN lijkt het aangewezen bedrijf daarvoor, maar de koers is aan de politiek.

Als proefproject wordt momenteel op een oud platform van Neptune Energy nabij Scheveningen gewerkt aan een kleine waterstoffabriek waarbij onder meer onderzoeksinstituut TNO en Nexstep zijn betrokken. Dit soort projecten is overigens geen trucje om van opruimkosten af te komen, bezweert Vaessen. „Daarvoor blijven we als industrie verantwoordelijk. Maar iedereen is erbij gebaat wanneer we de kosten zo beperkt mogelijk kunnen houden.” Het is de verwachting dat van de 150 platforms er tien tot vijftien een duurzame bestemming kunnen krijgen.

Toch is er bij milieuorganisatie Greenpeace achterdocht. „Allereerst vertrouw ik de olie-industrie niet”, zegt directeur Joris Thijssen. „We zijn er beducht voor dat bedrijven zo onder kosten willen uitkomen. Zie wat Shell van plan is met zijn productieplatforms bij de Shetlandeilanden”, de zogeheten Brent-platforms. Het energieconcern heeft voorgesteld een deel van zijn installaties in de diepe zee te laten staan. De Britse overheid vindt dat geen slecht idee, maar zowel Nederland als Duitsland is daartegen.

Lees ook dit verhaal over de ontmanteling van het Brent-platform: De laatste olie uit de Noordzee

„We zijn natuurlijk heel blij over de opstelling van het kabinet rond de Brent-platforms. Maar aangezien de overheid voor de Nederlandse wateren ook gebaat is bij de goedkoopste oplossing moeten we de ontmanteling voor onze eigen kust goed in de gaten houden”, aldus Thijssen.

Daar komt bij dat Greenpeace sowieso tegen ondergrondse opslag van CO2 in oude gasvelden is. Voor de grootschalige productie van waterstof is het opspuiten van eilanden in zee ook een mogelijkheid. Thijssen wil nader onderzoek afwachten voordat hij een voorkeur uitspreekt.

Beste oplossing

Vollaard van The Offshore Partners ziet de discussie rond Shell en de Brent-platforms juist als bewijs dat niemand voor zijn verantwoordelijkheid wegloopt. „Er loopt een discussie over wat de beste oplossing is, niet wie voor de kosten moet opdraaien.”

Afgelopen vrijdag heeft de Britse minister gezegd nog geen beslissing te nemen over de toekomst van de Brent-platforms. Zulke funderingen laten staan is in het Nederlandse deel van de Noordzee overigens geen issue: ze komen hier niet voor.

Thijssen van Greenpeace pleit voor duidelijke afspraken rond installaties. „Ik zou het heel goed vinden als bedrijven bijvoorbeeld worden verplicht om twee jaar na het staken van de productie de installatie op te ruimen.”

Mogelijk gaat het Noordzeeakkoord voor regie zorgen. Onder leiding van oud-politicus Jacques Wallage (PvdA) is een nog vertrouwelijk conceptakkoord bereikt met alle organisaties die belang hebben bij stroomlijning op de drukke Noordzee. Het kabinet buigt zich daar volgende maand over. Thijssen: „Als dat akkoord er komt, wordt een permanent overleg in het leven geroepen over wat er allemaal gebeurt op de Noordzee. Daarin zou het beheer van productieplatforms ook een plek kunnen krijgen.”