Brieven

Doe niet gemakzuchtig over waarheidsvinding in strafrecht

Het is moeilijk om niet in te stemmen met de vele platitudes waarmee Harald Merckelbach zijn column De juristen een lesje leren (19/10) lardeert. Hij mist de pointe van het debat over waarheid in het strafrecht. In een interessante discussie over dat thema verdedigde prof. Tineke Cleiren overtuigend dat het in het strafrechtproces niet om waarheid draait, maar om het vinden van bewijsmiddelen bij de tenlastelegging. Die moeten dan ook nog eens de rechter overtuigen. Juridisch lijkt me dat juist. Maar er is een diepere vraag. Juridisch kopstuk Geert Corstens, ex-president van de Hoge Raad, stelde het in een handboek strafprocesrecht zo: „Het is moeilijk te verdragen dat iemand een straf moet uitzitten, terwijl achteraf blijkt dat de rechterlijke uitspraak op een vergissing berust.” Ten diepste gaat het in het strafrecht om de vraag of de persoon het werkelijk gedaan heeft.

De houding van Merckelbach ten aanzien van onschuldig gestraften is gemakzuchtig. Hij wil niet in het gezicht van de slachtoffers ‘piesen’. Moet daarom een onschuldige maar vastzitten, omwille van het slachtoffer van een misdrijf, gepleegd door een ander?

Wetenschappers kunnen veel van juristen leren, en omgekeerd. Het ware echter beter dat geen van beide groepen iets van Merckelbach leert.


em. hoogl. wetenschapsfilosofie (RU)