Opinie

Leer bij de nieuwe onderzeeboten van de Walrusaffaire

Defensie Samenwerken met buitenland bij bouw van Walrus-opvolger is verstandig, schrijven Wim van de Camp en Cent van Vliet.

De Nederlandse onderzeeboot Hr Ms Walrus (links) in de Onderzeebootloods van de RDM-werf in Rotterdam, vlak voor de tewaterlating in 1985. De boot rechts, Hr Ms Zeeleeuw, moest toen nog afgebouwd worden, maar zou eerder in dienst komen dan de Walrus, waarop in 1986 brand uitbrak. De Walrusklasse omvat in totaal vier boten.
De Nederlandse onderzeeboot Hr Ms Walrus (links) in de Onderzeebootloods van de RDM-werf in Rotterdam, vlak voor de tewaterlating in 1985. De boot rechts, Hr Ms Zeeleeuw, moest toen nog afgebouwd worden, maar zou eerder in dienst komen dan de Walrus, waarop in 1986 brand uitbrak. De Walrusklasse omvat in totaal vier boten. Foto Vincent Mentzel

Het kabinet besluit binnenkort welke partijen in de race blijven om nieuwe onderzeeboten voor de Koninklijke Marine te bouwen als opvolger van de huidige vier boten. Aan dat miljardenproject zitten grote risico’s, heeft de Walrus-affaire geleerd. Herhaling moet worden voorkomen. Dat kan als verantwoorde, politieke keuzes worden gemaakt en kansen voor samenwerking op militair en economisch gebied worden benut.

Tijdens de bouw van de eerste twee boten van de Walrus-klasse bleken de begrote kosten dramatisch overschreden (van de geplande 245 naar 945 miljoen gulden; omgerekend nu ruim een miljard euro). Tijdens de politieke besluitvorming in de jaren zeventig stond de werkgelegenheid bij de scheepsbouw centraal. Achter de schermen ontwikkelde zich evenwel een andere werkelijkheid, stelde het Rapport van de Algemene Rekenkamer inzake besluitvorming en uitvoering van het Walrusproject in 1985 vast. De aanvankelijk ambitie om één nucleair aangedreven onderzeeboot te bouwen werd via de ‘nabouw’ van twee boten van de oudere Zwaardvisklasse gewijzigd in een compleet nieuwe dieselelektrische boot van de Walrusklasse: een Nederlands ontwerp, waarvan slechts vier exemplaren zijn gebouwd en er geen is geëxporteerd. Ook tijdens de bouw werd het ontwerp nog veelvuldig gewijzigd.

„Met de Walrusklasse hebben we echt een uniek product, dat met name voor de Nederlandse doeleinden prima geschikt is”, zei kapitein-ter-zee Hugo Ammerlaan, toenmalig hoofd van de Onderzeedienst, in 2014 in een vraaggesprek met de gezaghebbende website marineschepen.nl. „Wij passen als enige land in het rijtje van landen met nucleaire onderzeeboten van Britten, Fransen en Amerikanen”. Als het aan hem ligt worden ook de nieuwe boten daarom grotendeels in Nederland ontwikkeld en gebouwd. „Je kunt wel onderzeeboten kopen in het buitenland. Dan heb je het model van vandaag en niet dat van 2025.”

Lees ook: De lobby voor de nieuwe Nederlandse onderzeeboten

Déjà vu

De nieuwe boten hoeven niet compleet nieuw te zijn, maar „een evolutie van het Walrusontwerp”, is goed mogelijk. Zulke ideeën worden nog steeds veelvuldig binnen de overheid en het bedrijfsleven gehoord. Déjà vu. Onlangs waarschuwde de Algemene Rekenkamer opnieuw voor tunnelvisie bij zulke grote defensieprojecten. Zij pleit voor een objectieve vergelijking van alternatieven.

Tot midden jaren negentig zijn 1.200 deskundigen van de RDM-werf en honderden medewerkers van de Koninklijke Marine bij het Walrusproject betrokken geweest. Die situatie is nu anders. Er zijn de laatste 25 jaar geen onderzeeboten meer in Nederland gebouwd. Daardoor ontbreekt de integrale kennis voor één van de meest gecompliceerde en kostbare wapensystemen.

Vier buitenlandse bedrijven is in een eerste ronde daarom gevraagd voorstellen te doen, terwijl de precieze operationele eisen nog niet zijn vastgesteld. Dat zijn de Naval Group (Frankrijk, in samenwerking met de Nederlandse scheepsbouwer IHC), Saab Kockums (Zweden, met het Nederlandse Damen), TKMS (Duitsland, met de Rijkswerf) en Navantia (Spanje).

Nederland moet niet opnieuw zelf eenmalig een kleine serie onderzeeboten bouwen

Het is zeker niet uitgesloten dat de uitkomst van het aanbestedingsproces ten slotte is dat Nederland opnieuw gaat voor een unieke ‘Nederlandse’ onderzeeboot, waarvan de seriegrootte slechts vier is. De extra kosten voor een dergelijk aanpak worden geschat op 1,5 miljard euro. Dat is de prijs van twee fregatten; een enorme verspilling van belastinggeld. De ervaring is ook dat de bouwtijd van dergelijke boten veel langer is.

De werkgelegenheid zou veel beter gediend zijn als sterke bedrijven in Nederland onderdelen toeleveren en als andere landen tegelijkertijd in Nederland producten kopen waarmee we wel jarenlang en recent ervaring hebben opgedaan, zoals de bouw van fregatten met geavanceerde radarsystemen, zoals de Luchtverdediging- en Commandofregatten (LCF) van de Zeven Provinciën-klasse.

Een miljardeninvestering biedt daarvoor een uitstekende hefboom. Onze kennis en ervaring kan veel beter worden ingezet om samen met een ervaren buitenlands bedrijf voor een veel grotere serie boten te gaan. Dit leidt tot een grotere standaardisatie met aanvullende voordelen voor opleiding, onderhoud en operationele samenwerking. De werkgelegenheidseffecten zijn hiermee verankerd in plaats van incidenteel, wanneer Nederland zelf eenmalig een kleine nieuwe serie onderzeeboten zou bouwen.

Lees ook: Een partij onderwaterpoker met de Russische marine

Maximale duikdiepte

Gezien de grote risico’s, de vele onduidelijkheden en de nog onbenutte kansen, is het noodzakelijk ook in de volgende fase van het project, naar verwachting vanaf volgende maand, concurrentie te hebben.

Daarvoor is het nodig de operationele eisen duidelijk vast te stellen, zoals de vereiste actieradius, maximale duikdiepte en de precieze wapensystemen. Daarnaast is een verantwoord budget gewenst met als eis dat de opdrachtnemer de garantie geeft dat dit niet wordt overschreden. Alleen dan kan een verantwoorde vergelijking van alternatieven worden gemaakt, zoals bepleit door de Rekenkamer. Nu kiezen voor één bedrijf op basis van een mengeling van eisen en ontwerpen legt de kiem voor de volgende Walrus-affaire.

Er is wel politieke visie en lef nodig om ervoor te zorgen dat bij de aankoop in het buitenland dat land in Nederland hoogwaardige producten koopt. Beleid en goede intenties worden dan praktijk en bedrijven in beide landen versterken hun posities.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.