Opinie

Stem kwijt

Marcel van Roosmalen

Ik verloor mijn stem donderdagavond na afloop van een laatste try-out in de foyer van het theater in Almere. De laatste die ik sprak was een van origine Helmondse, ze zei dat ik thuis een met uien gevulde shawl om mijn nek moest knopen en meteen moest gaan slapen. Tenminste, zo deden ze dat in Helmond en daar konden ze het weten.

Thuis leek het me beter als ik dan maar in de logeerkamer zou slapen.

„Papa ligt hier hoor!”, hoorde ik de oudste dochter (4) ’s morgens tegen de vriendin roepen. „Hij stinkt. Heel erg.”

De vriendin stond ineens ook voor me, geïrriteerd wel.

Ik rende in mijn onderbroek voor haar uit naar de huiskamer en schreef daar met pen op de rand van de krant dat ik niet kon praten.

Ze vroeg of ik de andere dingen nog wel kon.

Even later bracht ik de twee kinderen op de fiets naar hun oma en haar man, een huisarts in ruste. Ik had nog steeds die shawl met uienringen om mijn hals.

Ik kreeg koffie.

Oma liet niet na om te zeggen hoe heerlijk ze mijn gezelschap opeens vond.

„Veel gezelliger!”

Haar man zei dat ik de ‘uienkrans’ wel af kon doen, hij adviseerde zuigtabletten en rust en raadde aan om ‘het theatergezelschap’ alvast maar te bellen dat de geplande première in Zoetermeer niet door kon gaan.

‘Dat kan niet’, schreef ik op een papier.

De rest van de dag bracht ik zwijgend door.

Het regende berichten in de WhatsApp-groep van onze voorstelling. Ik reageerde nergens op, het leek me beter om het naderende feest niet op voorhand te verstoren.

Maar in mijn hoofd had het zelfmedelijden inmiddels de overhand. Ik stond hierin alleen.

Mijn dochter van vier zei bij het afrekenen tegen de verkoopster bij de Kruidvat, die een hekel aan me heeft omdat ik ongeduldiger ben dan de andere klanten uit het dorp, dat ik zielig was. „Papa is zielig, hij kan niet praten.”

Ze keek me aan alsof ik niet helemaal goed was, boog zich voorover naar mijn dochter en zei: „Dat hebben we allemaal wel eens. Mijn vader mist een been, dat is zielig.”

Thuis keek de vriendin hoofdschuddend naar de verzameling verstuivers en keelpastilles die ik op het aanrecht had uitgestald, ze hoopte dat ik niet nog keer een shawl ging vullen met uienringen.

„Het is hier geen Helmond.”

Zaterdagochtend, precies op tijd, deed mijn stem het weer.

„Ik kan weer praten”, zei ik krakend bij het ontbijt. De vriendin en dochters reageerden niet, na al mijn gepaniek hadden ze even geen zin om te luisteren.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.