Openbaar Ministerie ‘kroop dichter tegen krijgsmacht aan’

Luchtaanval Irak Volgens minister Ank Bijleveld (Defensie) deed het OM „onafhankelijk” onderzoek naar mogelijke fouten bij bombardementen door F-16’s. Die onafhankelijkheid blijkt beperkt.

Militairen en veteranen op de publieke tribune bij de berechting van Eric O.
Militairen en veteranen op de publieke tribune bij de berechting van Eric O. Illustratie Jan Hensema /ANP

Op 31 december 2003 lopen enkele militairen de kamer binnen van marinier Eric O. op Kamp Smitty, in de regio Al-Muthanna, Zuid-Irak. Eenmaal in de kamer leest de commandant van het bataljon een verklaring voor. Hij doet dat „met trillende handen” zoals O.’s advocaat, Geert-Jan Knoops, later schrijft.

„U bent hiermee aangehouden op verdenking van moord, doodslag dan wel dood door schuld”, zo leest de commandant voor. O. wordt gearresteerd, staat in de aanklacht, op verdenking van het neerschieten van een Iraakse burger, aanwezig bij plunderingen van een container die O. en zijn manschappen moesten bewaken.

Ten overstaan van de manschappen van kamp Smitty wordt O. afgevoerd in een jeep. Nieuwjaarsdag 2004 brengt de marinier door in een cel op de marechausseekazerne in Soesterberg. Hij draagt nog steeds zijn woestijnkleding met korte mouwen. Buiten sneeuwt het.

‘Nooit meer Eric O.’ is sindsdien het devies van Defensie. Nooit meer zo’n openbare vernedering door het Openbaar Ministerie (OM). Ook al werd de marinier later vrijgesproken door de militaire kamer van het gerechtshof in Arnhem en met een forse schadevergoeding en een gebaar van de minister gerehabiliteerd, het trauma bleef.

Geen vervolgingen meer

Na 2004 is er geen ‘Eric O.’ geweest. Vervolgingen van militairen vanwege acties bij buitenlandse missies zijn er niet meer geweest, bevestigt het OM in Arnhem. Zo zag het OM af van vervolging van militairen die betrokken waren bij de slag om Chora in Afghanistan in 2007. Daarbij vielen tussen de vijftig en tachtig burgerdoden. In november dient daarover alsnog een civiele rechtszaak van vijf nabestaanden uit Afghanistan tegen de staat.

Inzake de luchtoorlog tegen Islamitische Staat, waaraan Nederland tot begin dit jaar meedeed, is het beeld niet anders. Nul vervolgbare fouten, was het oordeel van het OM in april 2018, over de in totaal 2.100 bombardementen van Nederlandse F-16’s op vijandelijke doelen in Irak en Syrië. Dat gold ook voor de luchtaanval waarover NRC en NOS vorige week berichtten. Bij een bombardement van een belangrijk wapendepot van IS en de vervolgexplosies kwamen op 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven, bevestigde het Amerikaanse Pentagon later. Dat kwam, aldus onderzoek van beide media, door een grote hoeveelheid explosief materiaal in de wapenfabriek en de aanwezigheid van veel burgers in het gebied rondom de fabriek.

Lees ook de reconstructie van de aanval op de wapenfabriek van IS in Hawija

Het OM stelde dat in de bommenfabriek „veel meer explosieven hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat”. Of dat klopt is de vraag. De NOS sprak een Irakees die stelde de coalitie van tevoren gewaarschuwd te hebben. Bewoners in Hawija wijzen op de hightech waarover de coalitie beschikte, zoals drones en satellieten, waarmee relevante informatie kan worden verzameld. D66-Kamerlid Salima Belhaj pleitte mede daarom voor nieuw onderzoek door het OM.

De opluchting over het oordeel van het OM was destijds groot bij de krijgsmacht. In de Tweede Kamer verwees minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) naar het „onafhankelijk” en „zorgvuldig” oordeel van het OM. Met de geanonimiseerde bevindingen verweerde ze zich tegen critici binnen en buiten de Kamer die haar een groot gebrek aan transparantie verweten.

Pitbulls

Hoe relatief het begrip ‘onafhankelijk’ echter is, blijkt uit een rede die Harm Brouwer, destijds hoogste baas van het OM, hield in april 2011. In zijn toespraak getiteld Pitbulls of embedded prosecution? Het OM en de vervolging van militairen, besprak Brouwer de manier waarop het OM de krijgsmacht beoordeelde. Brouwer vroeg zich af of ‘zijn’ officieren van justitie niet te dicht op de krijgsmacht zaten. „Pitbulls zijn we zeker niet”, zei Brouwer. „Schoothondjes dan? Nee. Feit is wel dat we de afgelopen jaren dichter tegen de krijgsmacht aan zijn gekropen.”

Na de pijnlijke gebeurtenissen rond Eric O. had het OM geïnvesteerd in de contacten met Defensie, zei Brouwer. Dit om het begrip bij het OM te vergroten van de context waarin militairen opereren. „Er kwamen [...] vaste overleggen, protocollen, beleidsregels, cursussen, trainingen, werkbezoeken, kortere communicatielijnen, noem maar op”.

Defensie opende een expertisecentrum in Arnhem, waar de sectie Militaire Zaken van het OM zit. De officieren van justitie en andere medewerkers van het OM gingen er op cursus. Ook bezochten ze conflictgebieden om de situatie waarin militairen moeten opereren beter te begrijpen. Brouwer: „Ook ik ben een keer naar Afghanistan gevlogen om te kijken hoe het daar is”, vertelde hij in zijn toespraak. „Overigens heel attent dat ik ook weer terug ben gevlogen!”

De nauwere relatie tussen OM en Defensie leverde volgens de OM-topman een gevaar op: „Doordat wij de laatste jaren die relatie met de krijgsmacht hebben versterkt en, omdat wij voor de informatie over zaken toch allereerst van die krijgsmacht afhankelijk zijn, is vanzelfsprekend het risico aanwezig dat het OM onvoldoende kritisch kan worden.”

Brouwer was echter hoopvol over de toekomst. Zaken die onder „de pet worden gehouden” bij Defensie, zouden vroeg of laat toch uitkomen „in onze moderne gemedialiseerde, geglobaliseerde samenleving.” Bovendien zag hij „een sterke behoefte binnen de krijgsmacht om verantwoording af te leggen.”

Brouwer wil zijn woorden van destijds nu niet toelichten. Ook de militaire Kamer van het OM in Arnhem wil er niet op ingaan; wel verwijst de woordvoerder naar de hoopvolle prognose van Brouwer.

Te optimistisch

De vraag is echter of de OM-topman van toen niet te optimistisch was. Van de door hem geconstateerde „sterke behoefte” bij de krijgsmacht om verantwoording af te leggen, bleek in het geval van de luchtoorlog tegen IS volgens critici weinig. Een flink deel van de Tweede Kamer alsmede organisaties als Amnesty en Airwars verwijten Nederland (en andere coalitielanden) een groot gebrek aan transparantie. Weliswaar berichtte het OM over de vier geanonimiseerde gevallen, maar voor het overige werd er niets meegedeeld over de gevolgen van luchtaanvallen voor de burgerbevolking.

Ook openbaarde zich de laatste jaren een belangrijk verschil tussen de ‘burgermaatschappij’ en de gang van zaken bij de krijgsmacht. In juridische procedures buiten de krijgsmacht kregen slachtoffers een prominentere plek, met spreekrecht en soms hoge schadevergoedingen. In militaire zaken gebeurde dat juist niet. Voor getroffen Irakezen of Afghanen en hun nabestaanden bleek het uiterst moeilijk om in Nederland informatie in te winnen over hetgeen hen overkomen is, laat staan een schadevergoeding te krijgen.

Een gewonde Irakese man en vrouw namen onlangs de proef op de som bij de Haagse rechtbank. Zij zeggen in januari 2015 getroffen te zijn door een bom van een coalitievliegtuig. Er vielen vijf burgerdoden, zijzelf raakten gewond. Zij wilden weten wie het bombardement had uitgevoerd maar kregen vorige week nul op het rekest van de Haagse rechtbank.

Ook de oorlogvoering ontwikkelde zich anders dan Brouwer had voorspeld. De strijd tegen IS vanaf 2014 beknotte de onderzoeksmogelijkheden van het OM sterk. In eerdere missies, in Afghanistan en Irak, kon het OM soms ter plekke onafhankelijk onderzoek doen naar eventuele fouten of misstanden. Het kon praten met omstanders en getuigen. Het kon zoeken naar restanten van materieel.

Lees ook: Luister ook onze podcast over het bombardement

In IS-gebied bleek dat de afgelopen jaren onmogelijk. De aanvankelijke successen van de terreurorganisatie die grote delen van Irak en Syrië veroverde, en de angst die de tegenstander inboezemde, verhinderden dat. De informatie waarmee het OM moest werken, toch al bijna geheel afkomstig van Defensie, kon dus niet onafhankelijk worden getoetst door officieren van justitie. Ook voor maatschappelijke organisaties zoals Airwars en Bellingcat bleek het moeilijk eigen onderzoek ter plaatse te doen.

Nationale vlag

Ten slotte leverde de los georganiseerde, haastig opgezette coalitie die vanaf 2014 tegen IS vocht, belangrijke beperkingen op. Militair jurist Bas van Hoek, verbonden aan de Defensie Academie en de Universiteit van Amsterdam, wijst op een verschil tussen de organisatie van de coalitie die in Afghanistan tegen de Taliban vocht en die van de coalitie tegen IS. De jurist die de laatste tien jaar meermaals naar missiegebieden werd uitgezonden, zegt: „Bij de missie in Afghanistan was er een internationaal commandant met nationale ondercommandanten. Die had Inherent Resolve, de missie tegen IS, niet.” Die was „een bundeling van nationale missies uitgevoerd onder nationale vlaggen”, zegt Van Hoek.

De losse structuur van de coalitie tegen IS vergrootte de beperkingen op de uitwisseling van gevoelig inlichtingenmateriaal tussen bondgenoten. Ook het OM is daar wellicht tegenaan gelopen, aldus Van Hoek. Beelden van Amerikaanse drones die voor het OM mogelijk relevant zijn voor een onderzoek, kunnen volgens de jurist door de VS worden geweigerd, zelfs aan meevechtende coalitiegenoten.

Het is onbekend of het OM heeft geprobeerd materiaal op te vragen bij de VS in het kader van zijn onderzoek naar de handelwijze van de luchtmacht in de oorlog tegen IS. Het OM in Arnhem wil hierover geen vragen beantwoorden.

Kan er, al met al, van ‘onafhankelijk onderzoek’ door het OM gesproken worden, zoals de minister van Defensie doet? In zijn werkkamer in het marinecomplex in Den Helder zegt militair jurist Van Hoek: „Het OM krijgt zeker te maken met beperkingen. Toch kun je goed spreken van onafhankelijkheid van het OM.” Het is immers niet Defensie maar het OM zelf dat beslist of en zo ja, hoe het onderzoek wil gaan doen, aldus Van Hoek. „Defensie werkt daaraan mee. Het ministerie onderkent het grote belang van het werk van het OM en het belang om dat zelfstandig te kunnen doen. Dat draagt uiteindelijk bij aan de legitimiteit van het militair optreden van Nederland.”

Correctie (21 oktober 2019): In een eerdere versie was de naam van Harm Brouwer en Geert-Jan Knoops verkeerd gespeld. Dat is verbeterd.