Opinie

Museum was ‘very epic’

Frits Abrahams

Omdat je met je kleinkinderen niet eeuwig naar Artis of Nemo kunt blijven gaan, hadden we deze keer Ons’ Lieve Heer op Solder gekozen, na het Rijksmuseum het oudste museum van Amsterdam. Een waagstuk, want misschien saai.

Zelf was ik er zo’n vijftien jaar eerder geweest, toen het er nogal armoedig uitzag. Het was niet zozeer saai – daarvoor was het toen al te bijzonder – als wel stoffig. Inmiddels is het schitterend gerestaureerd en uitgebreid met een gebouw en een ondergrondse passage. Jaarlijks komen er 100.000 bezoekers, onder wie veel buitenlandse toeristen, naar dit unieke monument uit de, pardon, Gouden Eeuw.

Wie er heen wil, moet ik de audiotour strikt aanraden, omdat de informatie in het oude woonhuis en de op de zolder gelegen kerk minimaal is. Het bleek ook dé manier om de kleinkinderen, Glenn (14) en Fay (10), bij de les te houden.

Wat al tevoren indruk op hen had gemaakt, was het fenomeen van de schuilkerk – een plek waar, in dit geval, katholieken hun geloof in afzondering moesten belijden. De katholieke regering van Amsterdam was in 1578 afgezet, de protestanten hadden de macht overgenomen. De katholieken werden voortaan, heel Nederlands, gedoogd: je mocht wel katholiek zijn, maar niet meer in het openbaar.

Glenn en Fay zijn niet gelovig opgevoed, maar dat bleek geen hinderpaal bij de tocht door het museum. Integendeel, misschien is zo’n museum interessanter als je thuis juist níet met het geloof bent overstelpt. Wel zullen ze met enige bevreemding hebben geluisterd naar de discussie, die zich tussen hun grootouders ontspon over een aan een muur hangende beddenpan – een koperen bak aan een lange steel.

Waar was zo’n pan nou eigenlijk voor? „Om in te plassen”, zei mijn vrouw met een stelligheid alsof ze het voor haar ogen zag gebeuren. „Welnee”, meende ik te weten, „het was een soort kruik in bed”. Thuis lazen we op Wikipedia dat de pan vroeger inderdaad een kruik was, maar dat de term beddenpan in ziekenhuizen later ook gebruikt werd voor de zogeheten ondersteek. Ons huwelijk was gered.

Bij ons vertrek uit het museum noteerde Glenn in het gastenboek ‘Very epic’ en Fay ‘Huts’. Voorzichtig informeerde ik wat deze woorden mochten betekenen. „Dat het cool was”, antwoordde Glenn. En Fay: „Niks. Het is zomaar een woord dat je tegen elkaar zegt.”

Daarna waadden we langzaam door de menigte – het museum ligt in de warme buurt – naar een restaurant met de beloofde bitterballen. Glenn kwam tegenover me zitten, zodat ik de gelegenheid kreeg zijn stoere halsband („Een choker”) en T-shirt te bewonderen. Op het shirt stonden drie foto’s van een sombere, zwarte man. „Lil Tracy, een rapper”, lichtte Glenn toe. „Geen crimineel, mag ik hopen?”, flapte ik eruit. „Opa! Rappers zijn niet allemaal criminelen”, wees hij me terecht terecht.

Op de terugweg door hartje Amsterdam wilde ik horen wat ze van de stad vonden. „Te veel mensen”, zuchtte Glenn. „Aardig”, zei Fay nadenkend, „maar ik vind wel dat het allemaal erg op elkaar lijkt: die huizen langs de grachten en die bruggetjes. Je ziet het verschil gewoon niet.”

Als we deze inzichten nu ook nog eens aan al die buitenlandse toeristen kunnen opdringen, loopt het misschien toch nog goed af met Amsterdam.