Opinie

Doen de boeren het beter dan de bonden?

Menno Tamminga

Wat is er aan de hand, in Nederland? Het sociaal-economische harmoniemodel, waarin boeren, bonden en bedrijfsleven in overleg hun conflicten oplosten, wordt gepasseerd als een slak op de snelweg. Met de trekkertochten van de afgelopen week is het nu al een hete herfst en dan moet het ‘winteroffensief’ van de vakbonden nog beginnen.

Zeker twee grote stakingen staan op stapel. Landelijke stakingen in het onderwijs (gepland op 6 november) en in ziekenhuizen (20 november). En mogelijk een of meer acties als de dreigende verlaging van pensioenen van werknemers en gepensioneerden doorgaat.

Wie had dat gedacht in een land dat zich ogenschijnlijk vol optimisme uit de economische crisis van 2010-2014 heeft geworsteld. Een van mijn favoriete barometers van de stand van het land, de kwartaalpeiling van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), zat in zijn laatste editie weer vol positieve uitkomsten.

Het SCP peilt elk kwartaal de opvattingen van Nederlanders over een scala van onderwerpen. De peiling die eind september verscheen, meldde bijvoorbeeld dat 85 procent de economie een voldoende geeft en dat 79 procent verwacht dat de economie gelijk zal blijven of zal verbeteren. Deze percentages zijn geen absolute records, maar ze komen wel in de buurt.

Lees ook deze column van Tom-Jan Meeus: De boze boeren en het nationaal ongenoegen

Tevredenheid en actiestemming gaan goed samen. Het is een misvatting dat juist de ‘verworpenen der aarde’ de barricades opgaan. Zij hebben het te druk met de strijd om hun dagelijks bestaan.

De piekeconomie en de tevredenheid stimuleren de gedachte dat er met wat extra acties ook extra opbrengsten te behalen zijn. Of dat nu hogere lonen zijn, winstdeling, meer vaste contracten of alle drie. Dat gevoel dat er wat te winnen is en de zichtbaarheid van enig succes zouden ook moeten leiden tot hogere ledenaantallen voor de vakbonden.

Niet dus.

De vuistregel was dat een economische neergang leidt tot extra opzeggingen bij bonden, omdat mensen bezuinigen of werkloos worden. Met economisch herstel groeit vervolgens de animo voor lidmaatschap.

Maar dat gebeurt niet als je naar de aantallen kijkt. Het is neergang troef. Vrijdag publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek nieuwe cijfers. Vakbonden zelf doen doorgaans schimmig over hun ledenaantallen. Het laatste nieuws was een bericht medio september in Het Financieele Dagblad dat de FNV in de loop van de maand juli onder de grens van 1 miljoen leden was gezakt. Die grens is symboliek, maar zonder symboliek geen macht. Ter vergelijking: in 1999, een economisch piekjaar dat zich wel met nu laat vergelijken, had de FNV ruim 1,2 miljoen leden.

De jarenlange neergang heeft meerdere oorzaken en is niet beperkt tot de FNV, maar één trend is absoluut zeker: het is een generatiebeweging. De grote lijn is: jongeren worden geen lid meer, oudere leden stoppen of sterven. Kennelijk zijn de verschillen tussen jong en oud op de arbeidsmarkt zo groot dat ouderen er ook niet in slagen jongere werknemers het lidmaatschap mee te geven.

Dat doen de boeren dan toch beter. De aanleiding voor de protesten is de dreiging van maatregelen tegen stikstof. Maar de onderliggende drijfveer is in de protesten zeker ook een generatiebeweging: kan een van de kinderen het familiebedrijf later nog wel overnemen?

Die vraag appelleert aan een hardnekkige angst onder boeren én burgers. In de laatste SCP-peiling zei 63 procent: ik ben bang dat toekomstige generaties het slechter krijgen dan wij.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.