Bij succes is iedereen een Nederlander

Gijsbert Oonk, hoogleraar Sport is zowat het laatste beetje nationalisme dat we hebben. Maar als we juichen voor Nederlanders, voor wie doen we dat dan precies?

Juichende Oranje-supporters tijdens een WK wedstrijd in Leipzig.
Juichende Oranje-supporters tijdens een WK wedstrijd in Leipzig. Foto Olaf Kraak / ANP

Mooi vond hij het, toen Georginio Wijnaldum bij het vieren van de Champions League-zege met Liverpool zowel een Nederlandse als een Surinaamse vlag pakte. Belangrijk ook. Hij groeide in Rotterdam op, speelt voor het Nederlands elftal. Maar die Surinaamse vlag was erkenning van zijn roots en dat werd ook in Suriname gevierd.

Wijnaldum heeft als voetballer geen keuze hoeven maken, hij heeft alleen een Nederlands paspoort. Maar dat moeten voetballers met een dubbele nationaliteit wel, zoals nu gebeurt met Marokkaans-Nederlandse spelers. „Als je die dwingt, dan dwíng je ze om afstand te doen van een deel van hun identiteit. Dat is wrang”, zegt Gijsbert Oonk (53), maandag in zijn werkkamer op de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Eigenlijk, zegt hij, vraag je aan jonge sporters om te kiezen tussen het land van hun vader en dat van hun moeder. „Je vraagt kinderen van gescheiden ouders toch ook niet of ze willen kiezen tussen hun vader of hun moeder? Dat is bizar.”

Oonk vermeed bewust het voorbeeld van Marokkaans-Nederlandse voetballers, zoals dat van PSV’er Mohamed Ihattaren (17), in de oratie die hij vrijdag hield aan de universiteit. Daarmee accepteerde hij officieel als bijzonder hoogleraar de leerstoel ‘Europe in a Globalizing World: Migration, Citizenship and Identity’.

Want het onderwerp van nationale identiteit, loyaliteit, met sport als ideale microcosmos voor zaken die in de samenleving spelen, is zoveel breder dan deze recente casus. Voor wie juichen we eigenlijk, was zijn centrale vraag.

Frans voetbalteam

Zo kreeg in de oratie de ophef rond het Franse voetbalteam dat vorig jaar wereldkampioen werd een centrale rol. Hun succes werd eigenlijk van drie kanten geclaimd: ‘gewoon’ als Frans team, als product van succesvolle migratie en als gevolg van het koloniale verleden. Het was van alles een beetje, maar het team werd een speelbal in de discussie over nationale identiteit en loyaliteit en werd daardoor ook politiek.

„Sportevenementen als de Olympische Spelen en het WK voetbal zijn de laatste overblijfselen van nationalistische gevoelens”, zegt Oonk.

Al jaren richt hij zich met het onderzoeksprogramma ‘Sport and Nation’ op sporters met een migratieachtergrond op het WK voetbal en op de Spelen. Hij kan inmiddels concluderen dat het aandeel sporters met een migratieachtergrond – of met op z’n minst een niet-volledige link met het land waarvoor ze uitkomen – wel iets is toegenomen de afgelopen decennia, maar niet zoveel als mensen misschien denken. Het schommelt internationaal tussen de 8 en 12 procent, al een tijd. Wel zijn er verschillen tussen landen. Brazilië bijvoorbeeld heeft eigenlijk nooit sporters gehad die daar niet vandaan kwamen. Landen als Bahrein en Qatar zijn de andere uitersten, relatief jonge landen die doelbewust op grote schaal sporters uit andere landen aan zich proberen te binden.

Lees ook: Drink vaker koffie met Marokkaanse spelers, Ronald Koeman.

Maar het juichen voor landgenoten, dat gevoel van nationale verbondenheid, is eigenlijk flinterdun, volgens Oonk. Net als concepten als mannelijkheid en vrouwelijkheid, etniciteit, ras. Als je ze deconstrueert, blijft er weinig van over.

Een groot deel is opportunisme. „Fans willen winnen. En als succesvolle sporters voor Nederland kiezen, vind je het algauw goed”, zegt Oonk. Mensen identificeren zich graag met succes, niet met negativiteit. Dat zie je terug in de taal die we gebruiken, volgens Oonk. Hij begint over een oude cartoon van de in Jamaica geboren Canadese hardloper Ben Johnson. „Toen hij goud won op de Spelen van 1988 was het: Canadees wint goud. Een week later was er mogelijk sprake van doping: Jamaicaanse Canadees onderzocht. Toen bleek dat hij inderdaad doping had gebruikt, was hij een Jamaicaan.”

Discours

Dat er nu discussie is over de keuze tussen Marokko en Nederland heeft te maken met het huidige discours, zegt Oonk. In de tijd van Dries Boussatta was het het toppunt van geslaagde integratie als zo’n speler voor Nederland koos, nu is het eerder het failliet van de integratie als een speler dat niet doet. „Maar iedereen wil meer Marokkaanse voetballers als het succes oplevert.”

Hij is zelf fel tegen de rigide keuze, die is veel te definitief. In het voetbal althans, bij olympische sporten is er meer flexibiliteit. Oonk pleit voor een ‘sportpaspoort’. Daarmee zouden spelers na twee of vier jaar opnieuw kunnen kiezen. „Mensen vermoeden dat dit loyaliteitsissues oplevert – ik denk dat dat zal meevallen – of denken dat de rijkste landen dan de beste spelers zullen kopen.”

De flexibiliteit stelt volgens hem de sporter voorop. „Mensen zullen zeggen dat je niet meer voor de eer speelt, we ons niet meer kunnen identificeren. Maar het gaat voorbij aan wat deze sporters moeten doormaken en moeten incasseren.”