Opinie

Defensie kan niet blijven zwijgen over burgerdoden in Irak

Luchtaanval Irak

Commentaar

Een schone oorlog is een illusie. Toen de Tweede Kamer eind 2014 instemde met het sturen van zes F-16-gevechtsvliegtuigen om boven Irak vechters en opslagplaatsen van de oprukkende beweging Islamitische Staat te bestrijden, was het besef volop aanwezig dat mede door Nederlands toedoen burgerslachtoffers zouden kunnen vallen.

Vandaar dat in de aanloop naar de parlementaire goedkeuring volop werd gesproken over „precisie-inzet” en „precisiebombardementen”. Een nauwkeurig „targetingproces” moest de vliegtuigen van de door de Amerikanen geleide „anti-ISIS-coalitie” in de woorden van de commandant der strijdkrachten, generaal Tom Middendorp, „in staat stellen om heel gericht en precies de doelen uit te schakelen, zonder nevenschade”.

Met deze gedragslijn is in de nacht van 2 op 3 juni 2015 iets gruwelijk misgegaan. Zoals uit een uitvoerige reconstructie van NRC en NOS blijkt, zijn toen bij een bombardement van een IS-wapenopslagplaats door een Nederlandse F-16 in de Iraakse plaats Hawija zeventig burgers gedood en meer dan 100 gewonden gevallen.

De aanval op de bommenfabriek van IS leidde tot een kettingreactie van tot ontlading komende munitie waardoor een omliggende wijk met de grond gelijk werd gemaakt. Met andere woorden: in strijd met de procedures was er dus juist heel veel nevenschade.

Dat de aanval had plaatsgevonden en zo veel doden en gewonden veroorzaakte was daags erna bekend. Maar wat niet bekendgemaakt werd, was dat hier een Nederlandse F-16 bij betrokken was. Sterker nog, enkele weken later verklaarde toenmalig minister van Defensie Jeanine Hennis (VVD) in de Tweede Kamer tijdens een debat over de Nederlandse militaire inzet boven Irak dat er nog geen sprake was geweest van burgerslachtoffers. Een opmerking die Hennis nadat zij hierop was aangesproken nog tijdens de vergadering nuanceerde door te zeggen dat dit inderdaad niet met zo veel stelligheid kon worden vastgesteld.

Grote vraag is nu: wist de minister inderdaad niet dat er eerder die maand een aanval met het grootste aantal burgerslachtoffers tot dan toe had plaatsgevonden of kón zij het niet zeggen? Ook nu, vier jaar later, hult het ministerie van Defensie zich formeel in stilzwijgen. Minister Ank Bijleveld (CDA) „ontkent noch bevestigt” de Nederlandse betrokkenheid bij het bombardement. Hierbij beroept zij zich op internationale afspraken, de nationale veiligheid en die van de vliegers die openheid in de weg zouden staan.

In elk geval hanteren de deelnemende landen niet één lijn bij de openbare verantwoording. Dit bleek vorig jaar nog eens uit onderzoek van de non-gouvernementele organisatie Airwars. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Denemarken, Canada en Jordanië werden genoemd als landen waar meer openheid van zaken wordt gegeven. Nederland beperkt zich vooralsnog tot het informeren van het Openbaar Ministerie.

In een brief aan de Tweede Kamer schreef minister Bijleveld eind september te willen streven naar meer transparantie over burgerslachtoffers bij luchtaanvallen. „Ook als dit slecht nieuws betreft”, voegt zij eraan toe. Vier jaar geleden ging het om heel slecht nieuws. Het hierop volgende zwijgen en de daarmee gepaard gaande onduidelijkheid over de toedracht en het onderzoek ernaar maakt het alleen maar erger. De nabestaanden van de onschuldige slachtoffers hebben recht op antwoord en op een vorm van financiële genoegdoening.