De kwetsbaarheid van Johan Cruijff

Afscheid Het laatste seizoen, een boek over Johan Cruijff, toont een menselijke kant van de voetballer: een twijfelaar met serieuze faalangst.

Johan Cruijff op 13 mei 1984 in de kleedkamer van Feyenoord, na zijn laatste wedstrijd als profvoetballer.
Johan Cruijff op 13 mei 1984 in de kleedkamer van Feyenoord, na zijn laatste wedstrijd als profvoetballer. Foto Hans Heus

Zittend op een kleedkamerbank in het Haagse ADO-stadion verbeet de 24-jarige Johan Cruijff in de rust de zoveelste stekende hoofdpijn. Hij was Europees voetballer van het jaar 1971, maar hij speelde de eerste helft tegen ADO bar slecht. Hij wilde te graag, ging bijna ten onder aan zijn hoge verwachtingen, zijn hoofd leek te ontploffen. Toch stond Cruijff de tweede helft weer op het veld en scoorde met een gekruld schot over ADO-doelman Ton Thie. Iedereen zou zich dit wonderdoelpunt met het kousen-ophoud-lint in zijn hand blijven herinneren, de barstende hoofdpijnen werden geen onderdeel van dit iconische Cruijff-moment. Terwijl fysiek ongemak de voetballer Cruijff juist zo kenmerkte.

Het was een van de ontdekkingen tijdens het onderzoek – ik sprak zo’n zestig mensen voor het boek Het laatste seizoen. Dat fysieke ongemak begon vroeg. Als jochie kon hij best goed voetballen. Maar de tiener ‘Jopie’ Cruijff had vooral veel tegen: een vroeggestorven vader, weinig geduld in de schoolbanken, een zenuwpezerig lichaam, moeilijke voeten en te weinig spiermassa om een bal fatsoenlijk te schieten. Krachttraining bij Ajax en extra voeding(supplementen) zorgden voor meer spieren. Wat bleef was zijn nervositeit.

Cruijff beschreef zichzelf ooit als een jongen met ADHD. Daarbij had hij zijn hele loopbaan last van zware migraine-aanvallen; spanningshoofdpijnen – en slapeloosheid. De prestatiedruk als prof, vanaf zijn zeventiende, versterkte dat. Na afloop van een wedstrijd sloop hij snel naar huis om in bed – gordijnen dicht, extra hoofdkussen over zijn gezicht – de stekende hoofdpijnen te bezweren. Sigaretten waren voor hem een medicijn.

Psychologische rapporten

In 1969 toonde een door Ajax-psycholoog Dolf Grunwald afgenomen Prestatie Motivatie Test aan dat Cruijff grote faalangst had. Zijn voordeel bij dit nadeel was dat het een ‘actieve’ vorm was; Cruijff was zó bang om te verliezen, dat hij er alles aan deed om te winnen. En hoe meer hij won, des te groter de druk – lees faalangst – werd. Daarbij liet zijn lichaam hem nogal eens in de steek. Maar zijn wil was net zo groot als zijn pijngrens hoog was.

Deze ontdekking in de officiële psychologische rapporten van twintiger Cruijff maakte diens gedrag voor mij begrijpelijker tijdens het schrijven. Hij was de volhoudende betweter, simulant van blessures en keek altijd weer ver vooruit om problemen te voorkomen: het paste bij zijn faalangst. Later kwam daar voorliefde voor conflicten bij. Zonder flinke mentale druk presteerde hij minder, raakte hij afgeleid. Daarom creëerde Cruijff telkens conflicten. In de pers zei hij dat zijn medespelers alleen dan goed presteerden. Maar in werkelijkheid kon Cruijff niet zonder. Zonder die spanning speelde hij zomaar een slechte wedstrijd.

Dat overkwam hem ook in het seizoen 1983/84 bij Feyenoord. Na te zijn verbannen van stadion-complex De Meer, haalde hij zijn gram in Rotterdam. Het begin was moeizaam. Willem van Hanegem, net gestopt als voetballer, hielp Cruijff. Als onbezoldigde trainersassistent overtuigde ‘De Kromme’ alle kritische spelers naar Cruijff te luisteren, maar hij benoemde het ook als Cruijff onzin verkocht: cruciaal voor diens acceptatie bij Feyenoord. Cruijff, gedrevener dan ooit, was fysiek op. Gelukkig was de Feyenoord-verdediging sterk, en bloeide Ruud Gullit op. Dwingeland Cruijff kreeg uiteindelijk greep op het team, maar de gewonnen dubbel was een teamprestatie. De stelling dat Cruijff het alleen zou hebben gedaan, klopt van geen kant.

Veel spelers van Feyenoord hadden moeite met het stoïcijnse van Cruijff. Hij schold er flink op los, maar voor pesterijen en een weerwoord leek hij immuun. Ten dele verklaarbaar door het gebrek aan vernuft bij de Feyenoorders, maar het was vooral een pose. Cruijff toonde immers nooit zijn zwakte. Toch lukte dat niet altijd. Soms werden de druk en zijn fysieke gesteldheid hem te veel. En dan, zoals een voorval in 1981 bij het Spaanse Levante dat ik in het boek beschrijf, kon hij zomaar in huilen uitbarsten. ‘Staand in de hotelgang biggelden de tranen over zijn wangen. De journalist met wie hij de afgelopen dagen was opgetrokken voor een groot verhaal, sloeg een troostende arm om hem heen. Hij drukte zijn hoofd tegen diens borst en snikte. Voor even weggedoken in de kleding van de journalist probeerde hij zich te vermannen. Nooit toonde hij zich zwak. Dat mocht niet. Dat kon niet. En toch was het gebeurd.’

Zorgvuldige imagebuilding

Tijdens het onderzoek voor het boek deed ik allerlei ontdekkingen: hoe Cruijf zichzelf verrijkte met de ver- en aankoop van teamgenoten, de moeilijke relatie met zijn vrouw Danny en met zijn moeder Nel, hoe het nou zat met het oorlogsverleden van schoonvader Cor Coster en diens latere dubieuze gedrag, verkochte wedstrijden, belastinggedoe, de zorgvuldige imagebuilding met gebruik van de media en zijn onredelijke en dictatoriale gedrag op en buiten het veld. Toch was de duiding van zijn kwetsbare kant misschien wel het meest opzienbarend. Het verklaarde zoveel: de nervositeit, het nagelbijten, het kettingroken en het moeilijk zijn ongelijk kunnen toegeven. Zwak zijn betekende falen. En falen was zijn grootste angst. Mijn bewondering voor zijn prestaties nam toe: de mythe Cruijff werd meer mens. De voetballer kwam dichterbij en het begrip voor zijn gedrag groeide. Cruijff maskeerde al zijn angsten en twijfels, omdat hij wist dat hij dan, met de voor zijn tijd revolutionaire blik op voetbal als een spel van ruimte, alles kon winnen wat er te winnen was.

Aan het einde van het boek verwijs ik naar een interview uit oktober 1984 van Ischa Meijer met Cruijff. Hij was gestopt met voetbal en trainde in het nieuwe seizoen af bij Feyenoord. Aan het slot van het gesprek zei Cruijff: ‘Het is altijd weer: hoe ver wil je gaan?’. Gedreven door zijn grote faalangst, bleek de voetballer Cruijff bereid om op veel gebieden heel ver te gaan.