Opinie

Waarom je de omstreden winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur moet feliciteren

Michel Krielaars

Jaren geleden zag ik een toneelstuk van Peter Handke en toen al begreep ik dat hij een dwarsligger was. Maar hoewel ik van dwarsliggers houd, had ik totdat hem vorige week de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend nog nooit een roman van hem gelezen. Ongetwijfeld heeft dat te maken met zijn steun aan de Servische leiders Radovan Karadzic en Slobodan Milosevic, die mij tegenstaat. Want anders dan Handke lange tijd meende, was het in 1995 al gauw duidelijk dat de Bosnische Serviërs op bevel van Karadzic meer dan achtduizend Bosnische moslims uit Srebrenica hadden vermoord.

Toch snap ik ergens wel waarom Handke op de begrafenis van Milosevic in 2006 heeft gezegd dat de waarheid, waarin de Serviërs als hoofdschuldigen van de oorlog worden aangewezen, niet absoluut is. In de Joegoslavië-oorlog maakten tenslotte niet alleen de Bosnische Serviërs zich schuldig aan etnische zuiveringen en massamoord, maar ook de Kroaten. Terwijl in Kosovo tijdens de oorlog van 1996-1999 het Kosovaarse bevrijdingsleger aanslagen pleegde op de Servische minderheid, die vervolgens uit dat gebied werd verdreven.

Die laatste gebeurtenis speelt een belangrijke rol in Handke’s roman Nacht op de rivier (Die morawische Nacht, 2007), die ik de afgelopen dagen las. Meteen op de eerste bladzijden raakte ik overtuigd van zijn bijzondere literaire kwaliteiten. Handke bleek een schrijver te zijn uit de grote Midden-Europese traditie, waartoe ook Olga Tokarczuk (de andere terecht genobelde van vorige week), Claudio Magris, László Krasznahorkai en Mircea Cartarescu behoren.

In Nacht op de rivier ontvangt een uitgeschreven schrijver, in wie je zonder veel moeite Handke herkent, zijn vrienden op zijn woonboot op de Servische rivier de Morava. Terwijl er driehonderd bladzijden lang amper iets gebeurt, vertelt hij hen over de Balkan en de daar gevoerde oorlogen in de jaren negentig, maar ook over de zelfmoord van zijn Sloveense moeder, over zijn vader die hij nooit heeft willen zien en zijn geboortedorp in Oostenrijk aan de Joegoslavische grens, over een beklemmende liefdesgeschiedenis in Spanje waar hij zijn eerste boek schreef, over zijn alles overheersende schuldgevoel en over het einde van zijn droom van een verenigd Joegoslavië, de veelvolkerenstaat die Milosevic met geweld in stand probeerde te houden.

Om weer te kunnen schrijven moet die verteller zich van de spoken uit zijn verleden bevrijden, wat hem aan het slot van Nacht op de rivier ook daadwerkelijk lukt. Zelfs zijn vrienden lijken dan te zijn opgelost, alsof ze nooit hebben bestaan. Hier is Handke de kluizenaar aan het woord, de hoogmoedige dwarsligger die zich van de wereld heeft afgezonderd om op eigen houtje de waarheid te onderzoeken en te ontdekken dat hij fout zat. Vergeet niet dat hij als enige van Karadzic een lijst met namen van de verdwenen mannen van Srebrenica eiste.

Stefan Hertmans juichte vorige week Handke’s uitverkiezing toe en noemde het ‘een statement van formaat voor de literatuur’. Hij herinnerde daarbij ook aan de legendarische gebeurtenis in Princeton in 1966, waar de toen piepjonge Handke de Gruppe 47, onder wie Heinrich Böll en Günter Grass, beschuldigde van traditionele verhalen en Beschreibungsimpotenz, oftewel saai taalgebruik. Dat laatste kun je van Handke met zijn ‘hymnisch verhalende toon’ niet zeggen. Terecht noemt Hertmans hem een hedendaagse Hölderlin van het proza.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.