Wat bedoelt een wijnexpert toch?

Wijntaal De computer zegt: wijnjargon is geen flauwekul. Kunnen experts wijnen inderdaad aan elkaars beschrijvingen herkennen? Test!

Wijn die het glas uit stuift. Wijn die aardbeien in de neus heeft, of tabak. Wijn die agressief is, of juist héél elegant. Wijn die knispert! Wijnjargon lijkt op het eerste gezicht geschikter om satire mee te bedrijven dan om wijn mee te beschrijven. Monty Python heeft een fantastische sketch over Australische tafelwijnen, waaronder een wijn die „aan twee kanten de sluizen openzet”, een die „een aanhoudend brandend gevoel” veroorzaakt en een legendarische sprankelende wijn die je het best kunt „neerleggen en vermijden”.

Maar wie denkt dat wijntaal louter opgeblazen onzin is, heeft het toch mis. Samen met collega’s heeft psycholoog Ilja Croijmans (Universiteit Utrecht) een computerprogramma geleerd om op basis van wijnbeschrijvingen de kleur en de druivensoort te leren herkennen. Dat dat goed lukte, betekent dat wijnschrijvers behoorlijk consistent zijn in de manier waarop ze de kenmerken van wijnen noteren – en dat wijnjargon dus een taal is waarin experts onderling echt informatie kunnen overbrengen. Het wetenschappelijke onderzoek is vorige maand gepubliceerd in Natural Language Engineering.

De onderzoekers gebruikten 73.329 Engelstalige beschrijvingen (van ééndruifswijnen, geen blends) door dertien wijnschrijvers, geplukt van de site winemag.com. Ze trainden hun computerprogramma steeds met de beschrijvingen van twaalf schrijvers en vroegen dan bij die van de dertiende schrijver steeds welke kleur wijn het was, welke druif en of de wijn in de oude wereld (Europa) of de nieuwe wereld (de rest) was gemaakt. Die laatste vraag bleek te moeilijk, daar presteerde het programma niet boven kansniveau. Maar bij kleur had het programma het bij 95 procent van de wijnen goed en bij druif bij 57 procent van de wijnen (terwijl er maar liefst 31 verschillende druiven in de steekproef zaten). Croijmans vermoedt, zegt hij desgevraagd, dat Nederlands wijnjargon vergelijkbare resultaten zou hebben opgeleverd.

Hoe moeilijk zijn zulke vragen eigenlijk? Voor een mens? Om daar een beetje gevoel voor te krijgen besloten we om zonder enige wetenschappelijke pretentie zeven wijnbeschrijvingen door NRC-wijnjournalist Harold Hamersma voor te leggen aan twee wijnkenners en -liefhebbers. Namelijk aan de Nijmeegse hoogleraar psychologie Ap Dijksterhuis, die in 2012 het boek De merkwaardige psychologie van een wijndrinker publiceerde (en vorige maand het reisboek Wegwee). En aan schrijver Ronald Giphart, van wie vorige maand zijn tiende roman Alle tijd verscheen, en die samen met Hamersma twee wijnreisprogramma’s heeft gemaakt voor tv-zender 24Kitchen.

Leuk idee, zo’n test, vindt Croijmans, al was hij aanvankelijk bezorgd omdat Hamersma volgens hem nogal eigenzinnige metaforen gebruikt. „Hij omschreef eens een wijn als ‘carpaccio van wc-eend’”, zegt Croijmans. Hamersma waarschuwt zelf trouwens ook meteen voor zijn eigen aparte taalgebruik: „Ik ben geen doorsnee-wijnschrijver.” We wagen het erop. Ook Croijmans doet de test, al is hij persoonlijk meer een whisky- en speciaalbierkenner (zijn onderzoek naar taal, geur en smaak richt zich op wijn omdat daar zó veel meer over wordt geschreven en gesproken).

Wie ook de test wil doen, moet nu stoppen met het lezen en overschakelen naar de Wijntaalquiz die onderaan dit artikel staat, want hierna volgen spoilers.

De druif noemen blijkt moeilijk

Is het moeilijk? Ja, het is moeilijk, zeggen Croijmans, Dijksterhuis en Giphart alledrie. Vooral de laatste vraag. „Oude en nieuwe wereld was vroeger makkelijker”, zegt Dijksterhuis (die deze vraag bij zes wijnen goed heeft beantwoord). „Toen was wijn uit de nieuwe wereld vaak overdreven intens.” „Walt Disney in een glas”, beaamt Giphart (die drie keer de ‘wereld’ goed heeft). Maar die verschillen zijn nu kleiner, zegt Croijmans (vier keer goed). „Met moderne technieken kun je op elk werelddeel elke soort wijn maken.” Daarom scoorde de computer in zijn onderzoek slecht op die vraag, denkt hij.

Ook druif is moeilijk: er bestaan honderden soorten. „Ik ben voor te moeilijke druiven gegaan”, verzucht Giphart, die in Wijn 2 een Chenin Blanc zag en in Wijn 7 een Amarone. Hij heeft maar twee druiven goed, Dijksterhuis vier en Croijmans maar één.

Foto’s Nrc

De makkelijkste vraag is duidelijk kleur. Dijksterhuis en Croijmans hebben alle zeven kleuren goed; Giphart zes. „Ik dacht: er zal wel één rosé bij zitten”, zegt hij. Maar nee, dat was inderdaad de instinker. Croijmans is er niet ingetrapt: „Ik geef onderwijs, ik maak zelf ook tentamenvragen.” Hij weet hoe instinkers werken.

„Zou je op de voorpagina van NRC willen zetten”, vraagt Dijksterhuis tevreden, „dat ik deze test beter heb gedaan dan Giphart?” Dat doen we niet; we kijken nog wel even naar de winnaar onder de wijnen. De enige wijn waarbij Giphart, Dijksterhuis én Croijmans alle vragen goed hadden, is Wijn 6: een sauvignon blanc uit de nieuwe wereld. Wat heeft die wijn wat andere wijnen niet hebben? De kruisbessen verraadden de druif, zeggen ze alledrie. „En als het fruit echt wordt benadrukt is het meestal nieuwe wereld”, voegt Dijksterhuis toe.

In een (nog ongepubliceerd) onderzoek van Croijmans naar de geur van wijnen bleek toevallig ook dat mensen de geur van sauvignon blanc het best onthielden, vertelt hij. Alhoewel, toevallig? „Als het te lang in je glas zit gaat het naar kattepis ruiken”, zegt Dijksterhuis. Ook Giphart begint daar uit zichzelf over: „Sauvignon blanc is het makkelijkst te omschrijven als kattepis met fruit. Die pis is een restsmaak van het fermentatieproces. Zoals rode wijn een beetje een poepgeur kan hebben, wat ze dan liever ‘aards’ noemen.”

Je voelt aan wat een wijnschrijver bedoelt

Toch kom je best ver met een paar kenmerken, zegt Dijksterhuis. „Ergens intuïtief weet je toch waar Hamersma met krankzinnige woorden als ‘talmzuren’ heen wil.” „Hij heeft echt een la met stijl opengetrokken”, zegt ook Giphart bewonderend, „om smaak met taal te omschrijven.” Hamersma beschouwt het op zijn beurt weer als een compliment dat ze de test zo goed hebben gedaan.

Zaten er nou bij de Engelstalige wijnschrijvers uit Croijmans’ onderzoek ook van die aparte stilisten als Hamersma? „Ik heb niet alle 73.329 beschrijvingen gelezen”, antwoordt Croijmans droogjes. Heeft-ie gelijk in ook: als hij een halve minuut over één beschrijving zou doen, zou hem dat bij een 40-urige werkweek ruim vijftien weken kosten. „Maar ik denk niet dat het zo was”, vervolgt hij. „Dan zou één van de auteurs waarschijnlijk als minder consistent beoordeeld worden, en dat was niet zo.”

Lees ook: De 100 beste supermarktwijnen van nu

Nog even, tot slot: wat maakt iemand nou tot een wijnexpert? Volgens Croijmans is het een vaardigheid die te vergelijken is met andere goed onderzochte expertiseterreinen als schaken, muziek maken of zeilen. „Je hebt heel veel feitenkennis, wat wij declaratieve kennis noemen. En daarnaast veel uitvoerende of performatieve kennis: je kunt wijn goed benoemen, beoordelen en onthouden. Zoals een schaakgrootmeester goed schaakstellingen kan onthouden.” En ja, zegt hij, iedereen kan in principe wijnexpert worden. „Tenzij je bijvoorbeeld een sterk verminderd reukvermogen hebt. Maar iedereen met interesse en tijd kan door veel te oefenen een betere wijnkenner worden.”

Terug naar de rest van het artikel