Op de vuist voor het Américain

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.

Duelleren à la Poesjkin doen Nederlandse dichters geloof ik niet, maar af en toe zijn ze niet te beroerd voor een vechtpartijtje. De bekendste knok uit onze letteren is het handgemeen tussen Martinus Nijhoff (1894) en Eddy Du Perron (1899).

Op 15 december 1931 zaten ze samen in Américain, u weet wel, het grand café aan het Leidseplein waar Harry Mulisch nooit liet omroepen dat er telefoon voor hem was. Aan tafel bij Nijhoff en Du Perron zat ook uitgever Sander Stols. Toen Du Perron even weg liep om schilder Carel Willink gedag te zeggen, zei Stols tegen Nijhoff dat Du Perron hem maar „een klein literair ijdeltuitje” vond.

Dat liet Nijhoff niet op zich zitten. In een brief aan Adriaan Roland Holst van dezelfde nacht schrijft Du Perron: „Hij deed een beetje haantjesachtig, kwam me aan het tafeltje van de Willinks na, sprak van uitknokken en naar buiten gaan, tot het me begon te vervelen en ik met hem ben meegegaan.” Bij de draaideur gekomen, verklaarde Du Perron dat Nijhoff wat hem betreft tot de „ouweloelen” hoorde, „in de literaire hiërarchie dan”, waarna ze „op de kinderachtige manier, daar bij de stoep van Américain, elkaar 2 of 3 vuistslagen hebben verkocht.”

„Nadat de vechtersbazen waren gescheiden, zoals altijd, zonder naar het klabbakkarium te worden gesleept”, namen ze een afzakkertje bij Nijhoff thuis. „Er werd gedanst”, schreef Du Perron, „er werd god zij dank niets ‘afgedronken’, zoals die flauwekul, geloof ik, heet.”

Een paar jaar later, het zal in 1939 zijn geweest, vochten Jan Campert (1902) en Jacques Gans (1907) het uit, over een vrouw, in het Vondelpark. Campert schreef erover in de novelle Slordig beheer, Gans in zijn roman Liefde en goudvissen. Campert hield zijn jas en bril en hoed op. „In Frankrijk duelleert men soms met de hoed op”, zegt Gans. En dan is het matten. „Wij rollen door de sneeuw en slaan op elkaars gezicht. ‘Sla hem dood!’ flitst het door mijn brein. Doch mijn wijsvinger klapt dubbel en ik breng het niet verder dan een blauw oog. Het is met intellectuelen altijd ergens namaak”, schrijft Jacques Gans.

En Campert: „Ik zag zijn verwrongen gezicht met waarachtig iets van schuim op de lippen boven mij. (…) En even plotseling was het voorbij. We stonden op, klopten de sneeuw van onze pakken, ik stak een sigaret op, bood hem er een aan, samen liepen we in de richting van de stad.”

Ik heb Louis Lehmann eens zien vechten met Willem van Malsen, op de stoep voor Querido, Singel 262, tijdens of na een feestje. Lehmann (1920) haalde Van Malsen (1940) met een klap onderuit. Met een rechtse hoek, als ik me goed herinner.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.