Liefde waar ze niet van kon genieten

Tweede Wereldoorlog Een Joodse tiener uit Polen schuilt in het hol van de leeuw: diep in Duitsland in een gezin van overtuigde nationaalsocialisten. Het zorgt voor verwarrende gevoelens van schuld en geluk.

Otto en Emma Möller, die de Joodse Mala tijdens de Tweede Wereldoorlog in huis namen. „Voor mij was het een pijnlijke ontdekking dat de Möllers veel liever voor mij waren dan mijn eigen ouders ooit waren geweest.”
Otto en Emma Möller, die de Joodse Mala tijdens de Tweede Wereldoorlog in huis namen. „Voor mij was het een pijnlijke ontdekking dat de Möllers veel liever voor mij waren dan mijn eigen ouders ooit waren geweest.”

Een SS’er, denkt ze. Ik heb mijn armen om een SS’er heengeslagen. Zo ver is het gekomen met mijn leugentjes. De man heeft in de gaten dat ze hem maar halfslachtig vasthoudt. Hij zet zijn motorfiets stil, zijn benen aan de grond, reikt zijn armen naar achteren, pakt de hare stevig vast en legt ze om zijn middel. Ze gruwt van het hakenkruis rond zijn bovenarm, nu dicht bij haar hoofd.

De man, de 59-jarige Otto Möller, is inderdaad een enthousiaste nationaal-socialist, hoewel geen SS’er. De swastika op zijn arm hangt aan de klauwen van een adelaar met gestileerde vleugels. Het is het logo van de Volkssturm, een militie die enkele maanden eerder is opgericht – het is december 1944 – om ook tieners en ouderen te mobiliseren voor de strijd.

Mala was destijds 17 jaar, een tiener geboren in een joods-orthodox gezin in Warschau, de Poolse hoofdstad. Inmiddels is ze 93 jaar en woont ze in Amstelveen.

Ze herinnert zich Möller als een rijk man. Dat had vast met zijn uitstraling te maken, zijn uniform en zijn minzaam vriendelijke, zelfverzekerde gedrag. In werkelijkheid was Möller een 56-jarige glasblazer met een naar Duitse maatstaven laag inkomen en weinig opleiding, geboren in Geraberg, een stadje van glasblazers. Hij woonde met zijn vrouw Emma en zijn al getrouwde dochter in het fabriekje waar hij ook werkte, in Zerbst, net ten oosten van de Elbe. Het fabriekje produceerde thermometers.

Mala Rivka Kizel ging in die dagen door als Anni Gmitruk, de naam op het doopcertificaat dat ze van een vriendelijke priester had gekregen. Op het Poolse platteland was ze ternauwernood aan moordende Duitsers en antisemitische boeren ontkomen, waarna ze zich in de stad Lublin meldde, bij de Duitse bezetter. Om aan een zekere dood te ontkomen, hoopte ze als katholiek Pools meisje mee te mogen op transport naar Duitsland, werken in het Rijk.

Het mag, ze gaat naar Bremen, later Wolmirstedt. Maandenlang gaat alles goed, iedereen gelooft dat ze een katholieke Pool is, tot een Oekraïner haar verraadt; hij hoort Mala in haar slaap Jiddisch praten. Gelukkig geloven Duitse autoriteiten haar, en niet hem. Sterker, ze vermoeden dat Mala eigenlijk een Volksduitse is, een Oost-Europeaan met Duitse wortels. Dat bevestigt Mala graag. In Amstelveen zegt ze, meer dan zeventig jaar later: „Zelfs als ze hadden beweerd dat ik Chinees ben!”

Met een aanbevelingsbrief van haar werkgever („Fleissig, pünktlich und Sauber”) meldt ze zich op een kantoor van de Einwandererzentralstelle, een soort nazi-naturalisatiedienst. Na een schedelmeting, interview en een bloedprik geven SS’ers in witte jassen hun deskundig oordeel: Mala is Volksduitser. Een Ariër.

Raciaal is ze nu te superieur om nog langer als dwangarbeider te werken. Ze belandt in een gezin van overtuigde nationaal-socialisten, de Möllers.

De man van de motor snijdt er het vlees.

De familie weet dan al dat een schoonzoon is gesneuveld in de slag om Stalingrad. Van de jongste zoon, de lieveling van moeder Emma, is lang niets vernomen. Direct na zijn schoolexamen was hij als zestienjarige onder de wapenen geroepen en naar het oostfront gestuurd. Hij is muzikaal en grappig, krijgt Mala te horen. Zijn accordeon had hij mogen meenemen naar het front. Na de oorlog zullen kameraden uit zijn legereenheid nog jarenlang vertellen over de zelfgeschreven liedjes waarmee de jonge Möller ze vermaakte.

Het thermometerfabriekje waar de Möllers woonden.

Het is niet ongewoon dat overtuigde nazi’s kinderen in hun gezin opnemen: repatrianten, vluchtelingen en, inderdaad, Volksduitsers.

Bij de Möllers speelt het gemis van de jongste zoon mee. Mala – Anni voor de Möllers – is van de leeftijd waarop ze hem voor het laatst zagen. Ze krijgt zijn slaapkamer.

Direct de eerste avond al ziet moeder Möller tranen in Mala’s ogen. Ze slaat een arm om de Volksduitse en zegt: „Ik zal ervoor zorgen dat we het goed hebben samen, ondanks de oorlog.” Mala, bij wie de walging voor de man op de motorfiets is verdrongen door verdriet, voelt zich iets beter. Decennia later zegt ze over Emma Möller: „Ze was werkelijk een heel lieve en warme vrouw.”

De volgende dag krijgt ze van Emma de geschiedenis van het gezin te horen. Moeder Möller leest de laatste brief voor van hun jongste zoon. Emma denkt, of hoopt, dat het uitblijven van nieuwe brieven te maken heeft met een slecht functionerende postbezorging. Emma neemt Mala overal mee naartoe. Om koosjer te blijven eten zegt Mala dat ze vegetariër is. „Mevrouw Möller kookte daarom elke avond iets speciaals voor mij.”

Vader Möller, van de Volkssturmarmband, blijkt een rustige en geduldige man. In de weekeinden leert hij Mala fietsen. In maart en april gaan ze met mooi weer naar een tuintje dat het gezin bezit, even ten zuiden van Zerbst. Er staan een paar fruitbomen. Als Mala ’s avonds naar de bioscoop gaat, haalt Möller haar op, opdat ze niet alleen door het donker naar huis hoeft te lopen.

Op haar verjaardag, begin februari 1945, overladen de Möllers Mala met cadeaus, waaronder de fiets van de jongste zoon. Emma blijkt wekenlang voor haar te hebben gebreid. Mala krijgt een trui, muts en bijpassende sokken, alles verpakt in feestpapier. ’s Avonds komen tientallen gasten om Mala’s verjaardag te vieren.

Mala: „Voor mij was het een pijnlijke ontdekking dat de Möllers veel liever voor mij waren dan mijn eigen ouders ooit waren geweest. Ik hunkerde zo naar liefde. Van mijn vader kreeg ik alleen een hand wanneer we de straat overstaken. Hij was orthodox, meisjes raakte je niet aan. Mijn moeder was altijd met haar zoons bezig, als ze niet werkte om het gezin te onderhouden. Het was eigenlijk een wonder dat ik zo ver van huis zo veel liefde kreeg.”

Maar ervan genieten valt Mala zwaar. Mag dat wel?

Meer dan de helft van de gasten op haar verjaardagsfeestje draagt een armband met een hakenkruis. Dat hóéven ze niet, en dat weet Mala. De vrienden van de Möllers willen graag gezien worden met een swastika, ook op een feestje van een meisje dat achttien wordt. Mala: „Er werd op mijn gezondheid geproost. Ik kon alleen maar aan mijn ouderlijk huis denken en aan mijn volk. Ik kon niet blij zijn. Het voelde alsof ik mijn volk aan het verraden was met deze Duitsers.”

In het getto van Warschau had ze nooit enige vriendelijkheid onder Duitsers gezien. Slechts kilte en wreedheid. In Duitsland had ze al wel ervaring opgedaan met een vriendelijke Duitser en zijn vrouw. Toen de Oekraïner die Mala in haar slaap Jiddisch had horen praten haar had verraden, was ze in een cel beland, op het dorpskantoor van de politie. De agent haalde Mala er ’s avonds uit en nam haar mee naar boven, naar zijn eigen woning. Daar nodigde hij haar uit mee te eten, met hem en zijn vrouw. Mala: „Dat was toch niet normáál! Ik had geleerd dat katholieken geen geweten hebben. Laat staan Duitsers.”

In de woning in het fabriekje te Zerbst maakt ze mee hoe de vriendelijke Möllers ademloos aan de radio zitten gekluisterd, luisterend naar Hitlers nieuwjaarsspeech. Hij zegt dat iedereen die uit „lafhartigheid of karakterloosheid de natie de rug toekeert onverbiddelijk een schandelijke dood zal sterven”. De Führer verwacht totale opofferingsbereidheid en „extreem fanatisme”, ook „van alle vrouwen en meisjes”.

Luister ook de podcast: Hoe een Joods meisje onderdook bij fanatieke nazi’s

Al eerder hoorden de Möllers hoe hun geliefde leider troost probeerde te bieden in het zicht van een mogelijke nederlaag. Hoe de oorlog ook zal aflopen, zei hij, er is ten minste één grote overwinning behaald. Hitler: „Het staat buiten kijf dat het doel van de Joden, de verwoesting van Europa, is uitgelopen op de totale vernietiging van henzelf, het Europese Jodendom.”

Mala, in Amstelveen: „Voor de Möllers was Hitler God.”

De Möllers willen graag iets betekenen voor Mala, een meisje uit de belaagde bevolkingsgroep waar Hitler de oorlog met Polen om was begonnen. De Wehrmacht, zo wisten ze uit de krant, had de Volksduitsers gered uit de klauwen van wrede Polen en doortrapte Joden.

Vooral de vaak vertoonde en populaire film Heimkehr (1941) maakt dit punt. De film is een klassieker in het genre nazipropagandafilms (en nog altijd verboden). Het verhaal speelt zich af in Loetsk, in het Polen van voor de oorlog. De Wehrmacht komt net op tijd: enkele Polen staan op het punt tweehonderd Volksduitsers te executeren. Na de bijkans goddelijke interventie mogen ze naar Duitsland, het walhalla: Heim ins Reich.

De Möllers nemen hun Volksduitse mee naar de bioscoop, juist voor deze film. Mala herinnert zich nu nog de eerste regels van het vaderlandslievende lied dat de hoofdrolspeler, de actrice Paula Wessely, in de gevangenis zingt: Nach der Heimat möcht’ ich wieder / Nach dem teuren Vaterort / Wo man singt die frohen Lieder / Wo man spricht manch trautes Wort!

Wessely speelt een schooljuf, Marie. Haar verloofde heeft geweigerd het Poolse volkslied te zingen in de plaatselijke bioscoop, waarna Polen hem in elkaar slaan. Dodelijk gewond komt hij bij het ziekenhuis, waar de deur voor hem gesloten blijft. Want: Duitser. Een man met een afzichtelijk uiterlijk stort zich op een Duitse vrouw, hij rukt een ketting met een klein hakenkruisje van haar hals, waarna een woedende menigte haar ook nog eens stenigt.

De rest van de Duitstalige stedelingen belanden in de gevangenis, waar het water ze over hun enkels stroomt. Mitrailleurs staan al op ze gericht. Toch geven ze de moed niet op. Omdat ze Duitsers zijn. En omdat ze hun schooljuf Marie hebben die iedereen opbeurt met een toespraak, in een scène waarvan propagandaminister Joseph Goebbels na de première zegt: „Het beste wat ooit is gedraaid.”

In de toespraak bezingt juf Marie de heerlijkheid van de homogene samenleving. „Denk er eens aan, mijn vrienden, hoe het zou zijn als er alleen Duitsers om ons heen zijn. Dat als je een winkel binnengaat, je geen Jiddisch of Pools om je heen hoort, maar louter Duits! Niet alleen het dorp, alles om je heen zal Duits zijn.” Mala ziet dat Emma Möller rode ogen heeft van het huilen.

De Möllers moeten zich goed over zichzelf hebben gevoeld: uit alle Poolse ellende hadden zij een Volksduits meisje gered dat een hecht en liefdevol gezin verdiende. Ze handelden in naam van een groter doel, het Duitse ras.

In de bioscoop horen ze juf Marie zeggen: „Eenmaal wakker zullen onze harten sneller slaan in de zoete wetenschap dat we midden in Duitsland hebben geslapen, omgeven door de geruststellende nacht waarin miljoenen Duitse harten rustig en in harmonie met elkaar slaan.”

Op de weg terug naar huis zegt Otto Möller dat ‘we’ niet vroeg genoeg verlost kunnen zijn van „die vervloekte Joden”. Mala vraagt hem of alle Joden zo zijn als in de film. „Mijn kind”, zegt Möller: „Je zou eens moeten weten.” Ze zijn nog erger, zegt Möller. Ze liegen, bedriegen, stelen, enzovoorts. Mala vraagt hem of hij Joden kent. Hij antwoordt: „Natuurlijk niet.” Alsof de vraag een lichte beschuldiging bevat. Of zegt hij: om de ander te kennen, kun je hem beter niet ontmoeten? Ze zal de Möllers nooit vertellen waarom ze vraagt vegetarisch voor haar te koken.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Hoe een Joods meisje onderdook bij fanatieke nazi’s

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.