Opinie

Kampusch revisited

Frits Abrahams

Met ongewoon vooruitziende blik kocht ik afgelopen zomer op de ‘ramsjplank’ van een Amelands winkeltje De diefstal van mijn jeugd, de autobiografie uit 2010 van Natascha Kampusch.

Toen deze week eindelijk weer eens haar naam opdook, nota bene in combinatie met die van een bedenkelijke ‘Oostenrijker’, was ik een tevreden man. Niet dat de gebeurtenissen in het Oostenrijk van Kampusch te vergelijken zijn met die van Ruinerwold, maar ik hoor wel een verre echo. Zeker nu die Oostenrijker, Josef B., verdacht wordt van vrijheidsberoving en het ontzeggen van medische zorg. Aan hetzelfde strafbare gedrag maakte ook die andere Oostenrijker en ontvoerder van Kampusch zich schuldig: Wolfgang Priklopil, die aan vervolging ontkwam door zich voor de trein te gooien.

Natascha Kampusch heeft, samen met twee ghostwriters, een sterk boek over haar ervaringen geschreven. Die ghostwriters laten haar soms iets te ouwelijk denken, maar wie wil weten wat het betekent om jarenlang gedwongen samen te leven met een psychopaat, moet dit boek zeker lezen. (Drie jaar geleden schreef ze een vervolg: Tien jaar vrijheid.)

Ik heb altijd grote bewondering gehad voor de rust en distantie waarmee Kampusch er naderhand in interviews over praatte. Ook in haar eerste boek houdt ze steeds de goede toon aan: niet overdreven emotioneel, laat staan rancuneus.

Maar de feiten blijven schokkend – schokkender dan ik ze me herinnerde. In een kelderruimte van vijf vierkante meter moest Kampusch van 1998 tot 2006 leven met een zonderling die haar op alle mogelijke manieren op de proef stelde. Hij sloot haar bij voorkeur in het duister op, hongerde haar uit, sloeg haar regelmatig in elkaar, luisterde haar via de intercom af en maakte video-opnamen terwijl ze halfnaakt allerlei huishoudelijke taken moest verrichten. Hij dwong haar ook tot seksuele handelingen, maar daarover heeft zij terecht nooit in detail willen treden.

Priklopil ontpopte zich steeds meer als een paranoïde sadist, die zijn wrede, machtsbeluste fantasieën op zijn gevangene botvierde. „Ik heb altijd al een slavin willen hebben”, zei hij tegen het einde van haar gevangenschap. Kampusch moest dit alles vanaf haar tiende jaar ondergaan – het is een onbegrijpelijk wonder dat ze het goed heeft doorstaan, althans, ik heb nooit vernomen dat ze erna is ingestort.

Het is het ironische noodlot van de vrouwenhater Priklopil geweest dat er een mentaal ijzersterke vrouw op zijn pad verscheen, terwijl hij moet hebben gedacht dat het een schuw, kwetsbaar meisje was toen hij haar zijn bestelauto in sleurde. Kampusch wás als kind ook kwetsbaar, ze ondervond weinig liefde van haar ruziënde ouders en ze voelde zich eenzaam op school waar ze gepest werd. Op een of andere manier moet Priklopil onbedoeld het beste in haar hebben bovengebracht: aanpassingsvermogen, slimheid, overlevingsdrang.

Ze pikte veel van Priklopil, ze moest wel, maar ze trok ook haar symbolische grenzen als het al te bar werd. Zo weigerde ze hem op zijn bevel ‘maestro’ te noemen en verdomde ze het ook voor hem te knielen. Geleidelijk liet ze de machtsbalans kantelen totdat ze op een dag durfde te zeggen: „Het spreekt vanzelf dat ik je moet verlaten. (…) Of je maakt me dood, of je laat me vrij.”

Niet lang daarna nam ze de benen.