In het theehuis in Rotterdam steunen ze Erdogans optreden

Turks-Koerdische spanningen Erdogan verjaagt terroristen, zeggen Turkse Nederlanders. „Tegen Koerden hebben we niets.”  

"Als ik een PKK-vlag zie, voel ik me ook ongemakkelijk", zegt Tayfun Balçik.
"Als ik een PKK-vlag zie, voel ik me ook ongemakkelijk", zegt Tayfun Balçik. Foto Bart Maat

Het vrijdaggebed is net afgelopen en het is druk in de ‘huiskamer’ van Vereniging Hollanda Yollarbasililar Dernegi in de Rotterdamse wijk Feijenoord. Turks-Nederlandse mannen drinken thee. Aan de achterwand is een groot tv-scherm. De Turkse staatstelevisie staat aan. In een kamertje daarachter is de kapper aan het knippen. „Vrijdag en zaterdag zijn de drukste dagen.”

Lees ook: Krijgt Erdogan wat hij wil na zijn inval?

Het gesprek gaat over de wapenstilstand in Noordoost-Syrië. Perfect toch zo? Op de televisie houdt de Turkse president Erdogan een persconferentie voor buitenlandse journalisten. „In de veilige zone gaat Turkije Syrische vluchtelingen vestigen. Er komen dorpen, steden, ziekenhuizen en universiteiten”, vatten de mannen zijn verhaal samen. „Tegen Koerden hebben we niets”, zeggen ze. „Het ging Erdogan om het verjagen van PKK. Van terroristen.”

Sommige Turks-Nederlandse jongemannen hebben wel iets tegen Koerden. Ze doken woensdagavond plotseling op in het centrum van Rotterdam waar Nederlandse Koerden demonstreerden en liepen vlak voor de demonstranten langs. Ze riepen: „Wie is de grootste? Allah is de grootste!” „Tekbir. Allahoe Akbar!” Sommigen maakten het teken van de Grijze Wolven met hun hand – de middel- en ringvinger op de duim, de wijsvinger en pink als oren naar voren. De Koerdisch-Nederlandse demonstranten aan de overzijde van de trambaan voelden zich geprovoceerd. Er werd geduwd, getrokken, gevochten.

Appgroepen

Jonge Turkse Nederlanders organiseren zich pijlsnel. Dat is bekend sinds de demonstraties op de Erasmusbrug en voor het Turkse consulaat in 2016 en 2017. Dat gaat via appgroepen en andere socials: „Hé broer. Waar ben je? Kom naar het Kruisplein!” En zo kon het gebeuren dat de Koerdische Nederlanders die een demonstratie hadden aangekondigd en daar stonden met borden ‘Stand with the Kurds’ en ‘Stop Genocide Zone’ een groep Turks-Nederlandse jongemannen vanuit de miezerregen zagen arriveren. Die de Turkse vlag die keurig opgevouwen in de kledingkast lag, hadden meegegrist.

In de huiskamer van Vereniging Hollanda Yollarbasililar Dernegi vinden ze het overdreven. „Dat zijn jongeren, hè.” Trouwens, verder in de stad ook geen tekenen van protest of steun. Of je nu in Rotterdam-West rondloopt of op Zuid, er hangen geen Turkse vlaggen uit de ramen. Er staan geen leuzen op de muren gekalkt.

Er is wel veel discussie. De mannen in de huiskamer nippen aan hun sterke Turkse thee. De gesprekken gingen de afgelopen week vooral over de Nederlandse media. Die zouden misleidend en partijdig zijn over Turkse kwesties, is een gevoel dat breed leeft onder Turkse Nederlanders. Nu het Turkse leger de Syrische grens is overgestoken, zien ze het wéér. Hun namen willen ze niet zeggen, praten willen ze uiteindelijk wel. Een van hen: „In de Nederlandse media hoor je dat Turkije de Koerden aanvalt. Dat is niet zo. Zag je die man, die net wegging toen jij binnenkwam? Dat was een Koerd. Die komt hier ook gewoon theedrinken. We hebben niets tegen Koerden. Turkije valt de PKK aan. Dat is een terroristische organisatie. Dat zijn terroristen. Nederland vindt dat ook.”

Er is zoveel…. Hij zoekt naar het woord. „Fakenieuws”, roept iemand van de andere kant van de tafel. „Ja, precies! Fakenieuws.”

Weer een ander zit driftig op zijn telefoon te scrollen. „Kijk”, roept hij. „Dit is een filmpje van een Koerdische moeder met haar dode kind.” De moeder schreeuwt en huilt. Het kind hangt levenloos in haar armen. Dan, aan het eind van het korte filmpje, opent het zijn ogen en kijkt schuin in de camera. „Zie je wel”, roept de man. „Helemaal niet dood.” Ze kunnen tientallen van die filmpjes laten zien.

Nu praat iedereen door elkaar. „Turkije heeft ruim vier miljoen Turkse vluchtelingen opgevangen”, roept de een. „Doet Europa dat?”, roept een ander. „Nederland? Frankrijk? Duitsland?”

Dan neemt een man het woord die net van de apotheek pijnstillers heeft gekregen voor zijn knie. Nederlandse media hebben het steeds over een ‘Turkse invasie’, zegt hij. „Maar Turkije wil die strook van 30 bij 400 kilometer niet voor zichzelf. Het wordt een plek voor de vluchtelingen, zodat ze naar huis kunnen.”

Iedereen is boos op Turkije, zeggen de mannen in het theehuis. Maar waar was die woede toen Amerika Raqqa en Mosul bombardeerde, vragen ze zich af. Een van de mannen: „Duizenden burgerslachtoffers vielen er. En nu? Nu worden burgerslachtoffers juist vermeden.”

PvdA’er en vicevoorzitter gebiedscommissie Charlois Zeki Baran herkent de frustratie over Nederlandse media en weet dat die breed leeft. „Mijn kinderen worden erop aangesproken op school”, zegt hij. „Ze horen: ‘Jullie zijn 100.000 vluchtelingen aan het vermoorden’. Waar zijn al die dode vluchtelingen dan?” De woede van Turkse Nederlanders naar de Koerden, herkent hij niet. „Mijn tante is Koerdisch. Misschien heb ik zelf wel Koerdisch bloed. Het interesseert me niet. Mij, en andere Turkse Nederlanders gaat het om terrorisme. De PKK en IS. Dát zijn gevaarlijke groeperingen en ga mij niet vertellen dat Turkije daar niet tegen mag optreden.”

Naar elkaar luisteren

Tayfun Balçik volgde de uit de hand gelopen demonstraties in Rotterdam via social media. Hij woont zelf in Amsterdam. Hij kent het discours van beide kanten. Zelf komt hij uit een vrij rechts Turks milieu. Gaandeweg zijn studie geschiedenis kreeg hij oog voor ándere kanten van conflicten. En er is pas een begin van een oplossing als mensen naar elkaar luisteren, zegt hij. Inmiddels is hij verbonden aan The Hague Peace Projects, een organisatie die dialoog stimuleert.

Hem valt op dat Koerdische en Turkse Nederlanders vooral óver elkaar praten en niet mét elkaar. Ook niet op straat, in een winkel of op het werk. „Ze vermijden elkaar, of in elk geval het onderwerp.” Dat mensen bij zo’n demonstratie tegen elkaar schreeuwen, is natuurlijk niet zo gek, zegt hij. „Ik begrijp het. Ik geloof ook in activisme, je moet soms een punt maken. Maar de kracht van dialoog wordt onderschat.”

Zolang Koerdische en Turkse Nederlanders in hun schuttersputjes blijven zitten en met gelijkdenkenden praten, zien ze alleen het eigen leed. „Dan zwaait bij demonstraties ieder met zijn eigen vlag. Als ik een PKK-vlag zie, voel ik me ook ongemakkelijk. Maar als je verder wil komen, moet je een volgende stap maken.” Hij zucht. „Het zal nog wel even duren. Het is langetermijnwerk. Voor volgende generaties.”