App niet, ga bellen! Brutaal, maar heerlijk

Bellen Alles moet op app of mail, iemand bellen als het niet dringend is, kan eigenlijk niet meer. Maar er gaat niets boven een telefoongesprek, vindt Floor Rusman.

Illustratie Viola Lindner

Het is 1995, ik ben negen jaar oud, en ik zit naast mijn moeder op de bank. We hebben een probleem. Ik wil dat zij de jongen op wie ik verliefd ben opbelt om te vragen of hij met mij naar de kermis wil, maar ze weigert. „Ik wil wel naast je blijven zitten terwijl jij belt, maar je moet het zelf doen.” Mijn handen zijn nat van het zweet. Ik ben bang dat ik zijn doodenge moeder aan de telefoon krijg en nog los daarvan zie ik mezelf de zin „wil je met me naar de kermis” gewoon niet uitspreken. Het voelt alsof ik in een tunnel sta waarin ik voor- noch achteruit kan. Omkeren is laf, doorgaan is dodelijk.

Uiteindelijk bel ik toch. Hij zegt ja, even later zitten we samen in het reuzenrad met kaneelstokken in de handen.

Na deze horde lag de weg vrij voor andere telefoongesprekken. Ik ontwikkelde me tot een hartstochtelijke beller, en dat ben ik nog steeds.

Het probleem is alleen: steeds minder mensen bellen. Op hun werk ‘gooien’ ze dingen ‘op de mail’, privé kletsen ze bij op WhatsApp. Van de jongeren geeft zelfs tweederde de voorkeur aan berichtjes boven bellen, meldde onderzoeksbureau Motivaction vorig jaar.

Ook om mij heen zijn veel mensen niet dol op bellen. Het is te veel moeite, zeggen ze. Mailen of appen kun je snel doen, wanneer je dat zelf wil. De ander komt niet te dichtbij en heeft minder zeggenschap over jouw reactietijd. Een telefoongesprek is intensiever: je moet je concentreren op de ander en meteen reageren. Je kunt moeilijk zeggen: „Over deze opmerking ga ik eens goed nadenken, ik bel je over vijf minuten terug.”

En wanneer mensen écht iets willen bespreken met hun vrienden, spreken ze liever persoonlijk af. Dan zie je (en eventueel: ruik je en voel je) de ander, kun je gezellig iets drinken, ben je simpelweg samen.

Bellen is brutaal geworden, hoor ik. Zomaar bellen is het nieuwe onaangekondigd langskomen: velen zien het als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Maar je hóéft toch niet op te nemen, kun je dan zeggen. Dat klopt, maar juist omdat we minder bellen, denken we snel dat de beller iets ernstigs of belangrijks te vertellen heeft.

Kortom, mensen willen niet meer zoals vroeger elkaars leven binnenvallen. Begrijpelijk maar tragisch, want met het telefoongesprek gaat er een unieke communicatievorm verloren.

Het bellen is maar korte tijd echt populair geweest, en we kunnen ons nu al moeilijk meer voorstellen hoe groot de impact was van de telefoon. Ineens kon je op twee plekken tegelijk zijn, of meer nog, samen met je belgenoot een virtuele derde plek creëren.

Vanaf de jaren zestig had (bijna) elk huishouden een telefoon, maar lange tijd was bellen zo duur dat het geen alternatief was voor een face to face-conversatie. Mijn grootmoeder had een slotje op de telefoon omdat mijn moeder en haar zussen te veel belden. Dat was in de jaren zestig; de gloriejaren van het bellen moesten nog komen.

Bellen werd makkelijker, dat kon nu ook tijdens het fietsen en boodschappen doen

In 1974 werden er voor het eerst meer telefoongesprekken gevoerd dan poststukken verstuurd. „De telefoon is geen luxe meer”, kopte Het Parool in 1981. Halverwege de jaren tachtig werd het mogelijk om meerdere telefoonaansluitingen te hebben op zelfgekozen plekken. „Hing vroeger de telefoon aan de muur in een onverwarmde gang en was het motto ‘Hou het kort en zakelijk’, tegenwoordig staat het toestel naast een comfortabele stoel”, schreef NRC in 1994. „Niet zelden wordt een persoonlijk gesprek begonnen met: ‘Wacht even, dan schenk ik eerst wat te drinken in.’ De Nederlander is gesteld geraakt op de anonimiteit van de telefoon.”

Dat is een grappige typering, want ik zou juist zeggen dat de telefoon niet anoniem is. Maar daarover later meer.

Het echte bellen begon voor mij eind jaren negentig. Rond mijn dertiende stopte ik met boeken lezen, pianospelen, dichten, tekenen, kleien en buiten spelen.

In plaats daarvan belde ik. Na school hing ik eerst met vriendinnen op het schoolplein, vervolgens fietste ik naar huis, pakte de telefoon en belde met dezelfde vriendinnen. Vaak urenlang. Mijn beste vriendin vond het leuk deze gesprekken te combineren met het spelen van computerspelletjes, waarvan ze live verslag deed. Ongelooflijk saai was dat, maar het had ook iets geruststellends, alsof je naar een bandje met zeegeluiden luisterde. Soms legde ik zonder dat ze dat doorhad de hoorn even neer. Pakte ik hem weer op, dan kon ik haar horen roepen: „Neeeeeee, ik ben dood!!” of juist: „Yesssss, volgende level”.

Niks was te onbeduidend om over te bellen. „Mijn ouders hebben een nieuwe kruimeldief gekocht”, zei een vriendin op een dag. Ik lag op de bank, staarde naar het plafond en nam haar boodschap in me op. Een kruimeldief? Zoiets kende ik niet. „Het is een handstofzuiger”, zei ze. „Hij klinkt zo.” Ze blies met de kruimeldief in de hoorn, ik kreeg de slappe lach.

Gewichtig praten over irrelevante zaken, dat was de kunst. Dit was aan de telefoon nog grappiger dan in het echt, aangezien de daad van het bellen juist urgentie suggereert.

Eind jaren 90 kregen we thuis een draadloze telefoon. Daar waren we laat mee, ze bestonden al sinds het begin van het decennium. In het kielzog daarvan kwam de ‘zaktelefoon’, die je ook buitenshuis kon gebruiken. In 1991 kostte die zeker 4.000 gulden, woog hij een halve kilo en kon je er alleen mee bellen als je enigszins in de buurt was van een basisstation, dus het werd niet direct een hype.

Dat kwam ook doordat ons ‘doe maar gewoon’-volkje het aanvankelijk overdreven vond om bellend over straat te lopen. Uit gêne verscholen de eerste mobiele bellers zich daarom met hun zaktelefoon alsnog in een telefooncel. „Met een draadloze telefoon in je binnenzak word je nu nog versleten voor patser, crimineel of – op zijn best – een ietwat aanstellerige ondernemer”, aldus Het Parool in 1994.

Maar datzelfde jaar deed de gsm z’n intrede, en die werd wél een succes. Dit had grote maatschappelijke gevolgen, noteerde NRC. „Met zaktelefoon, buzzer en voice-mail is iedereen bereikbaar”, aldus de krant in een overzichtsartikel over deze noviteiten. „Als je een dag voor je vrienden onbereikbaar bent, ben je eigenlijk al verdacht.”

Zelf kreeg ik pas in 2002 een mobiele telefoon, een Nokia 3310. Toen ik twee jaar later op kamers ging, ontwikkelde het mobiele bellen zich tot een dure hobby. Ik was inmiddels begonnen met roken en had ontdekt dat bellen, roken en muziek luisteren een perfecte combinatie was, ook geschikt als avondvullend programma. Soms ging ik zo ver over mijn belminuten heen, dat ik telefoonrekeningen had van 200 euro.

Ondertussen kochten mensen om me heen smartphones. De iPhone kwam in 2007 op de markt, al snel had bijna iedereen er een. Ikzelf hield vast aan mijn Nokia. Al dat appen leidt maar af van waar het in het leven echt om draait, namelijk bellen, dacht ik. Deze logica hield ik vol tot 2016, toen een woordvoerder een mail voor de zekerheid ook in een sms stuurde. De mail werd in tientallen delen geknipt die in de dagen erna binnen druppelden: mijn telefoon kon 17 sms’jes bewaren, en 16 plekken werden bezet gehouden door exemplaren die ik om sentimentele redenen onmogelijk kon wissen.

Lees ook: Hebben smartphones een generatie verwoest? Nou nee

De smartphone betekende voor mij niet het einde van het bellen. Sterker nog, bellen werd alleen maar makkelijker, want dat kon nu ook tijdens het fietsen, boodschappen doen en afwassen, met dank aan de koptelefoon.

Er is sindsdien maar één probleem, en dat is dat groeiende tekort aan gretige bellers. Zelfs vrij lange conversaties worden nu via WhatsApp gevoerd, terwijl typen duidelijk trager gaat dan spreken. Sommige mensen sturen in zo’n conversatie voice messages, zeer irritant voor de mede-apper, die dan wel moet luisteren, maar niet kan onderbreken, en dus als het ware gegijzeld wordt gehouden.

Wat de niet-meer-bellers lijken te missen is dat bellen, juist omdat het zo anders is dan schrijven of elkaar zien, ten opzichte van beide duidelijke voordelen heeft.

NRC noemde bellen in 1994 anoniem, maar vergeleken met appen is het juist bijzonder intiem. Je kunt elkaar horen zuchten, lachen, kuchen, hijgen, gapen, snotteren. Appjes stralen vaak een gedecideerdheid uit die het gesproken woord mist, omdat een emotie als twijfel doorsijpelt in de stem. Daardoor is het aan de telefoon makkelijker om iemands woorden te wegen.

Bellen ‘komt dichterbij’, zoals dat heet. Het is niet alleen intiemer, maar ook intensiever. Dit is ook wat mensen er moeilijk aan vinden. De beroemde mediatheoreticus Marshall McLuhan beschreef dit al vroeg in zijn boek Understanding Media (1964): „De telefoon vereist complete participatie, in tegenstelling tot het geschreven en gedrukte woord. Elke geletterde man vindt zo’n zwaar beroep op zijn totale aandacht irritant, omdat hij lange tijd gewend was aan gefragmenteerde aandacht.”

Voor de huidige alternatieven voor bellen (mailen, appen) geldt hetzelfde als wat McLuhan schreef: ze vragen minder concentratie en minder directe participatie dan een telefoongesprek.

Het vergt doorzettingsvermogen om met een leuke vraag een telefoongesprek weer te laten stromen

Dat geldt natuurlijk niet voor een face to face-gesprek, maar ook hiermee vergeleken heeft bellen voordelen. Ik denk bijvoorbeeld dat de telefoon het ook hier kan winnen op het punt van intimiteit. Juist omdat je elkaar niet kunt zien, wordt het makkelijker openhartig te zijn. Vergelijk het met een gesprek in de kroeg: een ontboezeming doe je sneller naast iemand aan de bar dan tegenover elkaar aan tafel.

Hetzelfde gaat op voor Skype en FaceTime. Videobellen is een slap aftreksel van een echte ontmoeting – juist door de schijnbare nabijheid wordt de afstand benadrukt. Het heeft dus niet de échte voordelen van nabijheid, terwijl het wel een van de nadelen heeft, namelijk het bekeken worden. Dat is de essentie van bellen: het reduceert de communicatie tot één zintuig. Tijdens een face to face-gesprek word je afgeleid door wat je ziet: alle subtiele signalen die je gesprekspartner uitzendt, van afdwalende ogen tot gefrummel met de handen. In een telefoongesprek kun je je volledige aandacht richten op het gesproken woord.

Dat woord kun je naar eigen inzicht visualiseren – soms zie ik het voor me als een weg met afslagen of een boom met vertakkingen. Neemt het gesprek een afslag, dan houd ik in gedachten dat ik ooit wil terugkeren op de hoofdweg. (Niet dat dat per se moet, want het mooie aan bellen is ook dat gesprekken van de hak op de tak kunnen springen.) Het kan ook een bergriviertje zijn dat soms helemaal stilligt, om dan ineens van een klif naar beneden te storten.

Als het gesprek stilligt, kun je er aan de telefoon gemakkelijk uit weg – nog een voordeel. Tegen iemand die net een half uur bij je op de bank zit, kun je moeilijk zeggen dat je „trouwens nog even iets anders moet doen”.

Maar je kunt het ook als een uitdaging zien om bij een stilliggend gesprek niet op te hangen. Dat is moeilijk, want een stilte is ongemakkelijker aan de telefoon en bovendien kun je gaan geloven dat de ander is weggelopen of dood neergevallen. Het vergt doorzettingsvermogen om met een leuke vraag een telefoongesprek weer te laten stromen. Maar het is gelukkig ook een risicoloze exercitie: als de poging mislukt, kun je het gesprek alsnog verlaten. Dat maakt het stellen van een telefonische vraag zo licht en ongedwongen.

Zo veel voordelen heeft het, en toch verliest bellen terrein. Ik denk dat er naast de genoemde bezwaren nog iets meespeelt: een verlangen naar grip.

Bellen heeft in bijna elke situatie iets onzekers, of je nu als negenjarige een leuke jongen belt, of als volwassene een restaurant. Bellen is intensief en persoonlijk, je geeft jezelf prijs, maar je weet nooit wat je terugkrijgt. De ander kan onredelijk zijn of chagrijnig, hij kan jou verkeerd begrijpen, en over al deze dingen heb je minder controle dan wanneer je iemand kunt zien. En anders dan in een schriftelijk gesprek geldt dit controlegebrek óók voor je eigen woorden – die zijn je mond uit zonder dubbelcheck.

Lees ook: Hoe de smartphone ons verslaafd maakt

Wie zijn gesprekspartner kan zien, houdt met verschillende zintuigen grip op de situatie. Wie communiceert in geschreven tekst, heeft in elk geval grip op zijn eigen woorden. Wie belt, mist die grip aan alle kanten. Daar kunnen we niet meer tegen, in deze gripzuchtige tijd. We verdragen het risico op saaiheid, ongemak en sociale blunders niet.

Of nou ja, ‘we’ – dit geldt dus niet voor mij. Ik lig straks gewoon weer op de bank te bellen, voeten omhoog, glaasje wijn erbij, en de blik niet op een scherm, maar op de buitenlucht.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.