De pocketkelder van Donner

Voor de officiële opening heeft de Rotterdamse boekhandel Donner een boek gemaakt voor de lezers. 46 auteurs schreven Denkend aan Donner, dat bezoekers vanaf zaterdag 26 oktober ontvangen – zo lang de voorraad strekt. Dit is de bijdrage van Awee Prins: iedereen van de klas moest een spreekbeurt houden over zijn favoriete auteur, maar dichters mochten niet, en Reve was al vergeven. Wat nu?

Foto Novi Zijlstra/bewerking studio NRC

Het was 1974 en ik zat in 5 vwo van het Melanchthon College. De vijfde- en zesdeklassers moesten een spreekbeurt houden over hun favoriete auteur. Dat was bepaald geen gelegenheidsexercitie, en zeker geen corvee. Het was het moment waarop je tegenover jezelf en tegenover de wereld ‘literair kleur bekende’. De docenten Nederlands, de heren Troost en De Smit (ik gedenk hen in ere en hoop vurig dat ze nog onder de levenden zijn, al gaven hun fysieke verschijning en levensstijl toen al weinig aanleiding tot een gerechtvaardigde hoop in deze richting), regisseerden deze rite de passage voorbeeldig.

Wij keken elkaar aan. Wie was jouw werkelijke held? Onder wiens vleugels leefde en groeide jij? Wie was het die jou ‘by proxy’ zo bijzonder maakte? Natuurlijk bestonden er ook in die tijd ten behoeve van het eindexamen de even sluw als onverschillig bijeengesprokkelde literatuurlijstjes. De vlakken der geest zochten in hun kelderende leven een toevlucht in Literama: samenvattingen van Oeroeg, Het bittere kruid, De sprong der paarden en de zoete zee… Goede boeken, beslist, maar dun, duidelijk en eenvoudig te doorgronden. Net als nu gold toen: ‘Redde wie zich eenvoudig redden kan.’ Bij de spreekbeurt lag het anders. Hier werd het Melanchthonse kaf van het Melanchthonse koren gescheiden. Wie ben je & waar sta je? Ik herinner me de even grote als inspirerende spanning.

Na veel aarzelen en met gepaste vertwijfeling vervoegde ik me bij genoemde docenten. Ik wilde mijn lievelingsdichters bespreken: Hans Lodeizen en Gerrit Achterberg. Bij Lodeizen, zo meende ik, zou ik aan het volgende gedicht voldoende hebben om er een spreekbeurt, zo niet een heel leven aan te wijden:

ik heb het belangrijkste besluit

ooit door een mens gedaan

genomen:

een steen door de ruit

te slaan

van mijn dromen.

de witte bakker staat

in zijn deurpost. Stappen.

een klein meisje gaat.

langs op boodschappen

Het leven in zijn werkelijke eenvoud en alledaagsheid omarmen, zich niet in dromen en vage verlangens verliezen – dat moest toch mogelijk zijn? In Uit verveling heb ik onder de noemer ‘Lof der alledaagsheid’ gewag gemaakt van mijn blijvende erkentelijkheid aan dit inzicht en deze opdracht van Lodeizen. Wat ik daar schrijf: ‘Betere mensen zullen we er niet door worden, maar wel “andere” mensen’, is precies wat ik toen als jong ventje al vermoedde.

Inzake Achterberg wilde ik aan de slag met het fragment:

ik kan voor geen heelal meer zorgen:

ik ben het verste vuur.

Toegegeven, dit zijn zware woorden voor een zestienjarige. Met de branie en overmoed die de jeugd nu eenmaal siert en ontsiert, was ik bovendien voornemens deze – een grafsteen waardige – woorden te verbinden aan mijn notoire schoolverzuim. Als rabiaat vegetariër reed ik in die dagen elke ochtend met een schep en enkele door alcoholische buren afgedankte wijnkistjes achter op mijn fiets gebonden van Hillegersberg naar Schiebroek, en in die kistjes legde ik de eenden die waren doodgereden door het verkeer op de Argonautenweg in 110-Morgen (de mooiste naam ooit aan een troosteloze wijk gegeven). Terwijl de schoolbel van het Melanchthon door de straten klonk, bestelde ik behoedzaam in een plechtig-puberaal ritueel het onfortuinlijk gevogelte ter aarde, mij verheugend op het aanstaande onderhoud met rector Bajema, die deze daden van charitas toch moest waarderen en zeker niet in een straf kon vertalen, wat natuurlijk telkens weer gebeurde.

Saillant detail: toen ik enkele jaren geleden een lezing op het Melanchthon verzorgde, werd ik door de rector van dienst aangekondigd als ‘de leerling die vaker dan wie ook van onze school is verwijderd’. Na zo’n introductie kan je lezing natuurlijk niet meer stuk. Maar terug naar 1974. Spreken over Lodeizen of Achterberg was me niet vergund: dichters waren niet toegestaan voor de spreekbeurt. Daarop koos ik als mijn held J.M.A. Biesheuvel, meer in het bijzonder diens bundel In de bovenkooi, met daarin het weergaloze verhaal ‘Brommer op zee’ dat – met excuus aan alle Melvilleadepten – als een zachtmoedige parodie op Moby Dick gelezen kan worden. Ook dit mocht niet zo zijn; een mens was blijkbaar nooit te jong om onrecht te wedervaren. Zoals opgemerkt, waren de klassen 5 en 6 van het vwo samengevoegd en bij de keuze van onderwerpen voor de spreekbeurt mochten de ouderejaars als eersten kiezen. Rick van der Ploeg (hij zou later een markant staatssecretaris worden) had net als ik gekozen voor Biesheuvel en hield, dat erken ik ruiterlijk, een hilarische voordracht waarin zijn eigen toenmalige waanzin en die van Biesheuvel kostelijk synchroniseerden.

Optie twee was Gerard Reve, maar tot overmaat van ramp was ook Reve vergeven, al houd ik hier stellig vol dat ik inzake De Avonden een aanmerkelijk beter verhaal zou hebben gehouden dan de puistenkoppige ‘ouderejaars’ die zich over Reve bleek te hebben ontfermd. Zijn naam is me ontschoten, maar moge zijn haarlijn nadien noodlottig zijn teruggetrokken.

Wat te doen? Ik was in die tijd al een angstige jongen, ben dat nog steeds, en wist me ook toen geen raad. In vertwijfeling vervoegde ik me bij boekhandel Donner, destijds gevestigd aan de Korte Lijnbaan. Wanhopig scharrelde ik langs de boekenrekken van Donners vermaarde ‘pocketkelder’, waar ik keer op keer vergeefs bladerde in exemplaren van de zelfverklaarde ‘wereld -literatuur’ van vaderlandse snit.

En wat nu komt, waarde lezer, is echt, onvervalst en waargebeurd; kortom iets dat gewoonlijk alleen in romans kan worden opgetekend en dat bovendien raakt aan een van die ogenschijnlijk onaanzienlijke, maar voor de ware enkeling onvergetelijke bewijzen dat God bestaat.

(Ik bedoel dit heel concreet, dat wil zeggen: concreetreligieus. Ik ben in mijn leven door de Lieve Heer meerdere malen op cruciale momenten gered. Om te beginnen in 1981 toen ik mijn vrouw Jacqueline voor het eerst zag, waarna ik haar vier jaar later – een God mag zijn tijd nemen – voor altijd in mijn armen mocht sluiten; vervolgens in 1987, meer prozaïsch, toen ik veel te voortvarend vier liter gootsteenontstopper in de afvoer van de keuken van ons huis aan de Stadhoudersweg had gegoten en na een half uur even ging kijken: enkele ogenblikken nadat ik over de gootsteen gebogen had gestaan, sloeg een fontein van gif een gat van vijftig centimeter in het plafond; en ten slotte – het is maar een greep – de keer dat ik een Hells Angels-roverhoofdman in Club Heavy aan de ’s Gravendijkwal, die iedereen bedreigde en terroriseerde, vroeg ‘wat zijn moeder ervan zou vinden dat hij zo geworden was’, waarna hij mij, terwijl zijn secondanten hun aluminium honkbalknuppels al tevoorschijn hadden gehaald, tegen de verwachting van de verbouwereerde aanwezigen in, die de dood van Aweetje Prins onvermijdelijk achtten, toch een verder leven vergunde en me liet gaan, omdat hij – ik citeer – ‘nog nooit zo’n moedige idioot was tegengekomen’.)

Daar in de pocketkelder van Donner, aan het einde van het vierde rek, lag een boekje op de grond. Het boekje dat daar ‘zomaar’ (een woord om over na te denken: ‘zo’ en ‘maar’) op de grond lag, was Jan Arends’ Keefman. Mogelijk had een uit minder hout gesneden bezoeker het ontevreden op de grond geworpen, of misschien te slordig in het rek teruggezet – je weet zoiets niet en moet daar ook niet te lang over nadenken. Ik raapte het boekje op, nam het in mijn handen en las – en wist al na enkele bladzijden dat dit een van die zeldzame boeken was waarover Kafka heeft opgemerkt: ‘Wij hebben boeken nodig die als een ongeluk op ons werken; een ongeluk dat ons veel pijn doet, zoals de dood van iemand van wie wij meer hebben gehouden dan van onszelf; een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’

Jan Arends’ Keefman is zo’n boek dat als een bijl in die bevroren zee slaat. Keefman, de onmogelijke, even onsympathieke als aandoenlijke held van het titelverhaal, is opgenomen in een psychiatrische inrichting en wil zich van daaruit ‘helemaal inzetten voor de psychisch of psychiatrisch gestoorde mens’. In een reeks brieven die beslist tot de wereldliteratuur behoren, bestookt hij zijn tot ‘Vriend’ benoemde psychiater met een tomeloze stroom van genadeloze verwijten en radeloze smeekbeden om als mens erkend te worden, dat wil zeggen als een mens die slechts wordt geplaagd door een ‘gehoorstoornis’, en wiens leven er volgens hem met een gehoorapparaat heel anders uit zou zien.

Het is van belang hier aandachtig te zijn. Keefman is een ‘misérable’ van de twintigste eeuw: hij is niet tot het uiterste getergd door onrecht, maar zijn situatie is anders: hij is een ‘onaanzienlijke’, hij ‘doet er niet toe’ – en dat zijn waarschijnlijk ‘les misérables’ (de ellendigen) van onze tijd. Niemand ‘hoort’ wat hij te zeggen heeft, en op zijn beurt kan hij niemand ‘horen’. Keefman heeft in zijn razende litanie evenveel gelijk als ongelijk, en Jan Arends brengt dit in ervaring in een van alle opsmuk ontdane taal (‘Om pijn te schrijven heb je weinig woorden nodig’), met een psychologische diepgang – Kousbroek heeft dat goed gezien – die je alleen bij de grote Russische schrijvers treft, maar die een twintigste-eeuwse aanscherping behoeft, zo laat Jan Arends ons zien.

Waar de helden bij Dostojewski, Toergenjew en Tolstoj even onvermoeibaar als vergeefs met elkaar communiceerden, daar stelt Jan Arends dat een werkelijke communicatie tussen ons hedendaagse ‘gehoorgestoorden’ onmogelijk is geworden. En dat ligt niet alleen aan het gehoorvermogen van Keefman:

De dokter

maakte van zijn hand

een heel groot oor.

Een teken

dat hij mij wilde

verstaan.

[…]

Maar

dat ging niet

want hij was doof.

Enfin, de spreekbeurt kreeg de nodige bijval, al zal ik op mijn zestiende er zeker niet afdoende in zijn geslaagd om de bijl die Jan Arends’ boeken voor ons zijn, echt in ervaring te brengen. Wel betreur ik nog steeds dat ik bij die gelegenheid weinig respons kreeg op een van de mooiste fragmenten uit diens oeuvre: een ‘klievende’ passage die ik hier nogmaals wil voorleggen.

In ‘Jan en ik gaan trouwen’ beschrijft Jan Arends een vrouw die vanwege een teleurstellend huwelijk haar man wil vermoorden. Aan de verkoopster van een groentewinkel vraagt ze of er zich tussen de busjes met kruiden (het was de tijd van de ‘kruidenrekjes’) misschien vergif bevindt. ‘Ik weet het niet’, antwoordt de groentevrouw. ‘Wij eten zelf nooit scherp. Ik weet niet of er vergif bij zit.’ Zo’n passage blijft je een leven lang bij. En ik weet niet wat er van mijn toenmalige klasgenoten is geworden, maar mogelijk hadden ze er goed aan gedaan deze passage meer ter harte te nemen.

Ik sluit af. Ongetwijfeld zou ik het werk van Arends later ook wel hebben ontdekt, maar ik heb het ‘gevonden’ op dat voor mij gedenkwaardige moment, in die gedenkwaardige ‘pocketkelder’ van Donner, en dat is me altijd bijgebleven. Daarom verheugt het me dat ik dit in deze ‘bundel van dankbaarheid jegens Donner’ in herinnering mag brengen. Donner bedankt!