Hawija, Noord-Irak na het bombardement van juni 2015 op een wapenopslag van IS.

Still uit een film van het persbureau van IS, het enige beeldmateriaal dat beschikbaar is uit deze periode in dit gebied. De beelden van deze videofilm zijn verspreid door persbureau AFP.

De Nederlandse ‘precisiebom’ op een wapendepot van IS

Oorlog tegen Islamitische staat In de luchtoorlog tegen IS wordt begin juni 2015 een wapenopslag in de Irakese stad Hawija gebombardeerd. Een enorme explosie volgt, zeventig burgers komen om. De bom kwam van een Nederlandse F-16, blijkt uit onderzoek van NRC en de NOS.

De krater is zes meter diep en tien meter breed. Er ligt puin omheen, verwrongen staal, geraamtes van wat ooit winkels of woningen zijn geweest. Autowrakken, op elkaar gestapeld alsof een reuzenhand ze heeft opgetild en op een hoop gekwakt.

De schade die een vliegtuigbom veroorzaakte in de Noord-Irakese stad Hawija in de nacht van 2 op 3 juni 2015, is meer dan vier jaar later nog steeds zichtbaar. Tot ver in de omtrek zijn huizen verzakt of beschadigd. Bewoners kunnen de sporen van de aanval nog zo aanwijzen: van het industrieterrein aan de rand van de stad – het oorspronkelijke doelwit – tot kilometers verderop. Sommigen vergelijken de schade met de uitwerking van een atoombom.

Die nacht vonden zeventig burgers de dood, bevestigde – eind 2018 – het Amerikaanse Pentagon op vragen van NRC en NOS. Onder hen waren 22 vrouwen en 26 kinderen, vulde Airwars aan (pdf), een organisatie die het aantal burgerslachtoffers van de luchtoorlog tegen terreurgroep Islamtische Staat vanaf het begin nauwkeurig bijhoudt. Zo’n honderd anderen raakten gewond, van wie velen ernstig.

SITUATIE 2015

IS-gezag / steun

Iraaks Koerdistan

IRAN

TURKIJE

Provincie Kirkuk

Kirkuk

Raqqa

Hawija

SYRIË

LIBANON

Damascus

Bagdad

IRAK

JORDANIË

100 km

NRC 191019 / StS / Bron: Reuters, Institute for the Study of War

Het grondgebied van terreurgroep IS, in april 2015. Ook Hawija was ingenomen.

In de jaren erna zwijgt de coalitie over de toedracht van de aanval. Een Amerikaans onderzoek ernaar blijft geheim. De pers toont zich matig geïnteresseerd. De aanval en zijn bloedige gevolgen halen wel de internationale persbureaus, en televisiestations, inclusief Al Jazeera. Maar de meeste aandacht gaat in die tijd uit naar het gruwelijke en meedogenloze optreden van IS.

Deze terugblik op de aanval belicht de Nederlandse rol bij het bombardement. Ze laat zien dat oorlogvoeren tegen IS veel meer was dan het inzetten van ‘precisiebommen’ of het ‘zorgvuldig plannen van targets’, zoals het heette in officiële verklaringen van de coalitie en van het Nederlandse kabinet. De oorlogvoering, hoe zorgvuldig misschien ook, bracht enorme dilemma’s met zich mee. Militair gewin moest worden afgewogen tegen mogelijk verlies van tientallen mensenlevens.

Over al dan niet verkeerde inschattingen en de gevolgen daarvan wordt weinig verantwoording afgelegd. Over individuele aanvallen, zoals die op Hawija, zwijgt de internationale coalitie. De Tweede Kamer wordt door het kabinet slechts mondjesmaat geïnformeerd over de gevolgen van bombardementen. Buitenlandse slachtoffers van aanvallen worden verwezen naar schadevergoedingsregelingen die – op z’n best – slecht werken in de praktijk. Voor de burgerdoden die westerse landen zoals Nederland in Irak en Syrië veroorzaakten, is ook weinig aandacht. Amnesty International en Airwars schatten het aantal burgerdoden op ten minste 8.200; zes keer zoveel als schatting van de coalitie.

De gevolgen laten zich raden. Veel Irakezen zoals in Hawija zijn de coalitie dankbaar voor de bevrijding van IS, maar ze zijn ook ook gedesillusioneerd over wat daarna kwam: geen schadevergoeding, wel nieuw geweld. Zoals een inwoner van Hawija zegt: „We hebben hier de afgelopen jaren alleen maar dood en verderf gezien. Dat is niet veranderd. En het gaat ook niet veranderen.”

Schade in Hawija na het bombardement van juni 2015. De beelden van deze door IS gemaakte film zijn verspreid door de Arabische nieuwszender Al Jazeera.

 

Oproep van Obama

In het najaar van 2014 geeft het tweede kabinet-Rutte gehoor aan de oproep van de Amerikaanse president Barack Obama om de gruweldaden van Islamitische Staat te stoppen. IS’ers hebben in augustus de Noord-Iraakse stad Sinjar ingenomen, duizenden jezidi’s vermoord en vrouwen tot seksslaven gemaakt. Nederland voegt zich begin oktober bij de internationale coalitie die vanuit de lucht zal strijden tegen IS.

Het parlement, dat in september 2014 zijn steun geeft aan de deelname van de F-16’s aan de oorlog, geeft de luchtmacht wel dringende wensen mee. Het parlement wil graag op de hoogte gehouden worden van de vorderingen in de strijd en het ontstaan van nevenschade. Later komt daarbij: slachtoffers dienen gecompenseerd te worden met een deugdelijke schadevergoeding.

Lees meer over de Nederlandse deelname aan de coalitie tegen IS

In korte tijd wordt met een detachement van pakweg tweehonderd militairen een tentenkamp opgezet in de woestijn van Jordanië, van waaruit F-16’s (aanvankelijk zes, later vier) opstijgen en landen. In de maanden erna ontwikkelt Nederland zich tot een van de actiefste coalitiepartners: het is een van de vier landen (van in totaal twaalf) die het meest bombarderen. Het bombarderen gaat zo hard dat een woordvoerder van Defensie in september 2015 meldt dat de voorraad precisiebommen dreigt op te raken.

In de maanden erna ontwikkelt Nederland zich tot een van de actiefste coalitiepartners: het is een van de vier landen die het meest bombarderen

Bij de bombardementen op IS-doelwitten varen de F-16’s blind op Amerikaanse inlichtingen. Ze moeten wel: Nederland heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, nauwelijks eigen informanten op de grond. „De Verenigde Staten verzamelen de inlichtingen. Daarover beschikt het coalitieland dat de luchtaanval uitvoert niet”, stelde de staat onlangs in een juridische procedure die twee gewonde Irakezen uit een ander deel van het land tegen Nederland zijn begonnen.

De besluitvorming over de luchtaanvallen vindt plaats in de Iraakse hoofdstad Bagdad en in Doha, de hoofdstad van Qatar. Ook daar staan de VS aan het roer. In Bagdad worden de doelen gekozen, vooral op basis van inlichtingen die het Iraakse leger verstrekt. In Doha wordt gekeken welke vliegtuigen de doelen kunnen aanvallen.

In beide hoofdkwartieren zijn Nederlandse militairen aanwezig. In Doha kunnen ze, zo nodig kort tevoren, namens Nederland een aanval afblazen als er te veel kans is op burgerslachtoffers of andere nevenschade. Hoe vaak dit is gebeurd, is niet bekend. De aanwezigheid van deze zogeheten ‘red card holders’ wijst op de eigen verantwoordelijkheid die elk land in de coalitie heeft voor zijn eigen aanvallen en de gevolgen ervan.

Aantallen burgerslachtoffers bij militaire acties binnen Operation Inherent Resolve, in Irak en Syrië, 2015-2017. Bron: Civcas Review

Geloofsgenoten

Hawija is een van de steden in Noord-Irak die IS in juni 2014 verovert op het Iraakse leger. Al in 2013 waren er in de stad botsingen tussen soennitische inwoners en het Iraakse leger en de Iraakse politie – in hun ogen representanten van het sjiitische bewind in Bagdad. Meer dan honderd burgers en politieagenten kwamen om. Voor veel soennieten in de stad zijn de geloofsgenoten van IS in eerste instantie bevrijders.

Al snel na de verovering door IS wordt de stad een tussenstation voor vluchtelingen uit het zuiden, die naar het noorden uitwijken omdat IS stad na stad verovert. Ze willen naar het door de Koerden gecontroleerde deel van Irak, maar stranden – door bombardementen, wegversperringen of gebrek aan geld voor mensensmokkelaars – in Hawija.

Een van hen is Mahmoud Bandar Salah (72), die met zijn gezin de stad Tikrit ontvlucht. „We kwamen met de auto tot Hawija”, vertelt hij aan de telefoon vanuit Tikrit, waar hij na de bevrijding in 2017 is teruggekeerd. „Daarna konden we niet verder.” De enige manier om in Kirkuk te geraken, een noordelijker gelegen grote stad die op dat moment in handen is van de Koerden, is een gevaarlijke voettocht door de bergen. Voor Salah en zijn gezin is dat geen optie omdat twee van zijn dochters vanaf hun geboorte verlamd zijn. De 500 dollar per persoon voor een smokkelaar die de route langs mijnen en explosieven zou leiden, kan ook lang niet iedereen opbrengen. Zo belanden Salah en vele anderen in Hawija.

Als wij hier tafeltennissen, kunnen zij vanuit de lucht het balletje raken

Ahmed Hussein (40) inwoner van Hawija

Intussen nemen de onderdrukking en de wreedheden van IS toe en vluchten steeds meer oorspronkelijke bewoners Hawija uit. Ze zijn niet alleen bang voor het IS-bewind; ze vrezen ook de luchtaanvallen van het Iraakse leger en van de coalitie, die de stad in het voorjaar van 2015 als militair doelwit heeft ontdekt. De inwoners van Hawija leren de toestellen van de internationale coalitie onderscheiden van andere vliegtuigen: ze vliegen op grotere hoogte. Behalve angst is er ook ontzag voor de hightech waarmee de vliegtuigen zijn uitgerust. „Als wij hier een potje tafeltennis spelen”, zegt Ahmed Hussein (40) vier jaar later, met armgebaren de minieme afstanden aangevend, „dan kunnen zij vanuit de lucht het balletje raken”.

Hussein vlucht een paar weken voor 2 juni met zijn gezin naar een dorpje verderop en vraagt zijn tweelingbroer Mohammed af en toe het stoepje voor zijn huis te sproeien – vertrekkende inwoners vrezen plundering door IS’ers als duidelijk is dat hun huis onbewoond is.

Mohammed zelf durft niet langs de controleposten: als voormalig politieagent wordt hij door IS als vijand beschouwd. „Hij was bang om afgeslacht te worden”, zegt Ahmed. Er worden ook inwoners teruggestuurd of zomaar opgepakt. „Ze hadden burgers nodig om minder snel doelwit van de bombardementen te worden”, zegt Bandar Salah, sinds zijn vlucht uit Tikrit een buurman van de Husseins.

Ahmed Hussein (40) ontvluchtte kort voor het bombardement begin juni 2015 zijn woonplaats Hawija. Zijn tweelingbroer kwam om het leven.
Ahmed Hussein: „De buurt zag eruit als door een atoombom getroffen.”
Lokale sjeik Hussein Khalaf Shihan (54): „We dachten dat er van heel Hawija niets meer over was.”
Foto’s Hawre Khalid

Vrachtwagens vol TNT

Op dinsdag 2 juni 2015 is het overdag redelijk druk op het industrieterrein. Gestrande vluchtelingen die er verlaten gebouwtjes hebben bezet, zorgen voor levendigheid. ’s Avonds wordt het er stil – op één plek na, een grote loods in het midden van het terrein. Het is een voormalige opslagplaats van de gemeente, die na de verovering van de stad is geconfisqueerd door IS. Eenheden van de terreurgroep bewaken de loods, waar auto’s en vrachtwagens af en aan rijden.

De inwoners van Hawija weten: dat is een wapenopslag. Er liggen bommen en materiaal waarmee bommen kunnen worden gemaakt. Er is ook militair materieel gestald dat is buitgemaakt op het Iraakse leger. En er staan voertuigen zoals humvees en zelfs complete tanks, vertelt een Iraakse kolonel later aan de Britse pers. Hij spreekt van „de grootste fabriek [van IS] in Irak en Syrië”.

Een lokale informant die het Iraakse leger op de hoogte houdt van de ontwikkelingen in de stad, vertelt later aan de NOS dat hij in die dagen vier vrachtwagens vol TNT de opslagplaats ziet binnenrijden. Islamitische Staat gebruikt TNT voor aanslagen in steden die nog niet in handen zijn van het kalifaat, en in de strijd tegen de Iraakse troepen.

De klap is volgens getuigen voelbaar tot in Kirkuk, meer dan 50 kilometer verderop

De informant zegt in september 2019 tegen de NOS dat hij de internationale coalitie vlak voor de aanval op de hoogte stelde van de aanwezigheid van de vier vrachtwagens vol explosief materiaal. Ook zou hij het Iraakse leger hebben verteld over de vluchtelingen uit het zuiden, die het gebied waren ingetrokken.

Inwoners horen die avond rond tien uur ’s avonds iets boven het industrieterrein cirkelen – mogelijk is het een drone. Later komen volgens sommige getuigen één en volgens anderen twee gevechtsvliegtuigen over. Daar schenkt niemand bijzondere aandacht aan, er is al een zekere gewenning.

Om vijf over twaalf hoort Ahmed Hussein, in het bergdorp kilometers verderop waar hij met zijn gezin naartoe gevlucht is, een enorme klap. De vloer trilt, en dan nog eens. Het zijn, zo reconstrueert hij later, de inslag van een vliegtuigbom en daarna de trillingen van een reeks vervolg-explosies. De klap is volgens getuigen voelbaar tot in Kirkuk, meer dan 50 kilometer verderop.

Boven Hawija ontstaat een vuurbal in allerlei kleuren. „Het was onvoorstelbaar”, zegt buurtbewoner Mohammed al-Douri (33). „Rood, geel, blauw, wit…” Lokale sjeik Hussein Khalaf Shihan (54) zegt: „We dachten dat er van heel Hawija niets meer over was.”

In de getroffen wijk is het chaos. Mensen schreeuwen om hun kinderen, ze weten niet welke kant ze moeten uitrennen, ze zien niets door roet en vlammen. Veel gewonden kunnen niet terecht in het ziekenhuis; verschillende overlevenden zeggen later dat dat alleen toegankelijk was voor actieve IS-leden. Al-Douri toont NRC zijn verminkte hand: hij zegt drie vingers verloren te hebben in de explosie. Een vriend heeft zijn bloedende hand thuis verbonden nadat hij bij het ziekenhuis was geweigerd.

Het ziekenhuis behandelt die nacht tweehonderd slachtoffers, volgens de administratie die directeur Osama Suleiman vier jaar later laat zien. „Sommigen waren ernstig gewond”, zegt hij. „Anderen stierven hier. Er zijn ook doden achtergebleven onder het puin.” Onder hen zijn vermoedelijk veel vluchtelingen uit het zuiden. Niemand die ze kent, niemand die ze mist. Suleman acht het dan ook zeer waarschijnlijk dat meer mensen zijn omgekomen dan het officiële aantal van zeventig.

Als het woensdag 3 juni licht wordt, proberen inwoners van de getroffen wijk naar omliggende bergdorpen te vluchten, uit vrees voor nieuwe luchtaanvallen. Ahmed Hussein gaat die dag juist terug naar Hawija; hij wil weten hoe zijn tweelingbroer Mohammed en zijn huis eraan toe zijn. De buurt ziet eruit als „door een atoombom getroffen”, vertelt hij later. Zijn huis staat er nog, maar is zwaar beschadigd. Het huis van zijn broer is verwoest. Mohammed is in één klap gedood door een vallende dakbalk.

Onderzoek blijft geheim

Op een persconferentie later die week legt de Amerikaanse bevelhebber John Hesterman, die de leiding heeft over de luchtaanvallen, de schuld bij IS. „Laten we duidelijk zijn”, zegt hij tegen journalisten: „de schade is veroorzaakt door een enorme hoeveelheid extreem explosief materiaal dat IS wilde omzetten in moorddadige wapens om Irakese militairen en onschuldige burgers mee te doden. Als er onbedoelde schade is [van deze luchtaanval], dan ligt de verantwoordelijkheid daarvoor geheel bij IS.”

Toch kondigt Hesterman nader onderzoek aan. Dat gebeurt vaker als er een vermoeden is van veel burgerslachtoffers.

Als er onbedoelde schade is, dan ligt de verantwoordelijkheid daarvoor geheel bij IS

John Hesterman Amerikaanse bevelhebber

Sindsdien zwijgt de coalitie over de aanval op Hawija van 2 op 3 juni. De inhoud van het Amerikaanse onderzoek blijft geheim. Mogelijk zou dat onderzoek vragen over de toedracht kunnen beantwoorden, met name of de coalitie gewaarschuwd had kunnen zijn over de aanwezigheid van zowel het explosief TNT als groepen vluchtelingen in het industriegebied - zoals de lokale informant stelt. Volgens het oorlogsrecht mogen er burgerslachtoffers worden gemaakt, maar alleen nadat tevoren al het mogelijke is gedaan om die te voorkomen.

Heeft de coalitie de slachtoffers ingecalculeerd omdat ze een belangrijk militair doelwit kon uitschakelen, een van de belangrijkste in Noord-Irak van dat moment? Of bereikte de tip van de informant nooit het hoofdkwartier, bijvoorbeeld doordat het Irakese leger dat met hem in contact stond niet de moeite nam de Amerikanen in te lichten?

Regels van het oorlogsrecht

Bijna drie jaar komt er sowieso weinig naar buiten over de toedracht van luchtaanvallen – tot het Nederlandse kabinet in april 2018 een brief aan de Tweede Kamer stuurt met daarin de stand van zaken in de oorlog tegen IS. De ministers Ank Bijleveld (Defensie, CDA) en Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) sturen een verslag mee van het Openbaar Ministerie. Dat heeft onderzoek gedaan naar vier luchtaanvallen – van de pakweg 2.100 in totaal – die tussen oktober 2014 en juni 2016 door Nederland zijn uitgevoerd en waarbij mogelijk burgerslachtoffers zijn gevallen.

Van de vier aanvallen zijn gegevens als plaats, datum en tijd weggelaten, om ze niet herleidbaar te maken. In drie van de vier gevallen is inderdaad sprake van burgerslachtoffers, concludeert het OM – om eraan toe te voegen dat de regels van het oorlogsrecht zijn gevolgd. Het OM besluit niemand te vervolgen.

Het eerste van de vier beschreven gevallen toont sterke gelijkenis met de gebeurtenissen in Hawija van juni 2015. Het doelwit was een bommenfabriek, er was sprake van secundaire explosies en er werden gebouwen in de omtrek vernietigd. De twee ministers schrijven: „Het […] betrof een aanval van Nederlandse F-16’s op een faciliteit waar zogenoemde vehicle borne IEDs [autobommen] werden gefabriceerd. […] In de IED-fabriek bleken later veel meer explosieven te hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerslachtoffers zijn gevallen.”

De woordkeuze „zeer waarschijnlijk” wordt volgens voorlichting van Defensie gebruikt als niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er burgerslachtoffers zijn gevallen, bijvoorbeeld omdat er geen onderzoek ter plaatse kan worden gedaan.

De brief van Bijleveld en Blok trekt de aandacht van media en maatschappelijke organisaties die onderzoek doen naar het verloop van de oorlog tegen IS, zoals Airwars. Onderzoekers en journalisten vragen het ministerie: wordt hier het bombardement op Hawija bedoeld? Extra aanleiding voor hun vraag vormt een tweede aanwijzing die duidt op Nederlandse betrokkenheid. Tijdens de persconferentie die de Amerikaanse bevelhebber Hesterman een dag na het bombardement gaf, sprak hij van een „fairly small” (betrekkelijk kleine) bom. Dat kan volgens wapenexperts die de taal van de Amerikaanse perscommuniqués kennen maar één ding betekenen: Hesterman had het over het soort lichte precisiebommen dat Nederland van de VS heeft gekocht, zoals de GBU-39. Sterker: Nederland was in 2015 samen met de VS het enige land dat én over dat bomtype beschikte én in Irak deelnam aan bombardementen.

Ook de politiek begint ongerust te worden. Oppositiepartijen PvdA, GroenLinks en SP roepen Defensie op tot meer transparantie. Er moet verantwoording worden afgelegd over het veroorzaken van burgerslachtoffers, vinden de partijen. Zo kan van de fouten worden geleerd en wordt slachtoffers meer recht gedaan.

Maar het ministerie van Defensie geeft geen informatie over mogelijke betrokkenheid van Nederland bij aanvallen zoals op Hawija. Dat blijft zo als NRC en NOS begin oktober het ministerie hun bevindingen melden. Op basis van eigen bronnen en onderzoek (zie verantwoording) concluderen NRC en NOS met zekerheid dat het een Nederlandse F-16 was die de bewuste bom gooide in de nacht van 2 op 3 juni.

Openheid geven over luchtacties brengt te veel risico’s met zich mee voor de nationale veiligheid en de veiligheid van de vliegers, stelt Defensie. Betrokkenheid toegeven kan tot wraakacties leiden tegen vliegers, ander militair personeel of tegen burgers op Nederlands grondgebied. Wel kondigt minister Bijleveld aan binnenkort met voorstellen te komen over meer openheid rond de bombardementen en hun gevolgen.

Deel van het getroffen gebied in Hawija in september 2019. Foto Lex Runderkamp

De volgende desillusie

De inwoners van Hawija blijft weinig bespaard. Tussen 2014 en 2017 ondergingen ze de terreur van IS en de angst voor de bombardementen van de coalitie. Na de bevrijding van IS volgde voor veel slachtoffers van het bombardement de volgende desillusie. Beloftes van zowel de Iraakse regering als de coalitie dat burgerslachtoffers schadevergoeding krijgen, worden nauwelijks gerealiseerd. „We hebben hierover al twee jaar niets uit Bagdad gehoord”, klaagt Khalif Najim Alabadi, de locoburgemeester van Hawija, in 2019 tegen de NOS.

„In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei minister Bijleveld eind mei tegen de Kamer. „Dat is de normale situatie. Daar horen zij terecht te komen.”

Maar wie een schadevergoeding wil voor dit bombardement, kan niet in Hawija zelf terecht. Slachtoffers moeten naar provinciehoofdstad Kirkuk reizen, waar naast een stoffige open plek met onkruid, kapotte flesjes en oude kranten, een golfplaten hokje staat. Daarop zijn in zwarte viltstift de openingstijden gekalkt van het plaatselijke compensatie-comité. Op de trappen van het betonnen gebouwtje erachter staan volgens medewerkers honderden mensen per dag met hun formulieren, documenten en levensverhalen. Er zijn maar twintig personeelsleden om alles te verwerken. Geld voor meer medewerkers is er niet.

Zonder steekpenningen wordt de aanvraag van slachtoffers niet eens in behandeling genomen. In de lange administratieve procedure moeten tal van documenten worden overhandigd – medische verklaringen, overlijdensaktes, papieren die het bezit van het huis aantonen. Instanties en hun armlastige functionarissen vragen (smeer)geld voor de verstrekking van die documenten. Meerdere slachtoffers vertellen NRC dat ze tot de helft van het uit te keren bedrag aan tussenpersonen moesten betalen om een vergoeding te krijgen. Zo zegt één van hen dat hij uiteindelijk 15.000 dollar uitgekeerd kreeg – nadat hij eerst opgeteld 8.000 dollar aan smeergeld had moeten betalen.

Slachtoffers en nabestaanden hopen op hulp van buiten om de procedures te vergemakkelijken. „We hebben alles verlaten, onze spullen, ons huis”, zegt Abdelkhalaq Sultan (50), die lag te slapen toen ineens ramen, deuren en dak zijn huis in kwamen vallen. „Na de bevrijding hebben we nauwelijks iets teruggevonden. We moesten alles opnieuw opbouwen. Met alle schade die dit gebied is aangedaan, zou een vergoeding op zijn plaats zijn – al is het maar symbolisch.”

Arafa Hussein Hamash (59) met haar dochter Maather (21) en haar kleinkinderen Ahmed (4) en Zeinab (6). Arafa’s zoon Sajed, vader van Ahmed en Zeinab, kwam om bij een luchtaanval op Hawija. Foto Hawre Khalid

Nog steeds dankbaar

Hawija wordt in oktober 2017 als een van de laatste steden in Irak bevrijd, door een combinatie van Irakese en Koerdische eenheden. Bestuurders van de stad en de regio zijn de Amerikanen en hun bondgenoten daar nog steeds dankbaar voor, zeggen ze. „We willen niet dat iemand zich schuldig voelt over wat in 2015 is gebeurd”, zegt de locoburgemeester van Hawija. „Vooral niet degenen die hebben meegewerkt aan de bevrijding van Hawija.” Hij maakt zich op voor een „glorierijke toekomst” van zijn stad.

De inwoners zien het iets anders. Zeker, ze zijn dankbaar voor de bevrijding. Maar had de coalitie met haar superieure hightech middelen echt niet kunnen weten hoeveel mensen er die nacht in de buurt van de opslagplaats waren? „Ze hebben toch satellietbeelden en drones?” zegt sjeik Shihan. „Ze zien alles. Ze kennen het gebied als hun eigen huis.”

Nu, meer dan vier jaar na de luchtaanval, zijn slachtoffers en nabestaanden nog steeds bezig de scherven van hun leven op te vegen. Hussein is als een van de weinigen teruggekeerd naar Hawija. Daar heeft hij zelf zijn beschadigde huis opgeknapt. Veel anderen bleven na de luchtaanval in Kirkuk, in huurhuizen of opvangkampen.

In Hawija is geen werk, zo vertellen bewoners, en wederopbouwprojecten in de grotendeels verwoeste dorpen komen nauwelijks op gang. Bovendien durven veel mensen niet terug naar het gebied waar ze met zoveel moeite aan ontkomen zijn. Abdelkhalaq Sultan reist bijna dagelijks op en neer naar Hawija vanwege zijn baan als leraar, maar laat zijn gezin in Kirkuk. „Het is stabieler, en bovendien is het psychologisch voor hen te zwaar”, zegt hij. „Als je niets in Hawija te zoeken hebt, kun je er beter wegblijven.”

Reageren? onderzoek@nrc.nl

Zoals uitgelegd in de verantwoording (zie boven) hanteerden NRC en NOS bij dit onderzoek in eerste instantie een schrapmethode: welke landen uit de internationale coalitie tegen IS, vielen af als mogelijke verantwoordelijke? Scroll hieronder door die denkstappen:

Welk land uit de coalitie kan deze aanval hebben uitgevoerd?

In 2015 deden meerdere landen mee met de coalitie tegen Islamitische Staat. In het communiqué dat de coalitie vrijgaf na het bombardement op Hawija, staat welke coalitielanden hebben bijgedragen aan luchtaanvallen in de aangemerkte gebieden in Irak en/of Syrië. Die staan hier aangegeven.

De Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Canada, Jordanië en Saoedi-Arabië hoorden wel bij de coalitie, maar voerden in de periode waar het om gaat geen militaire acties uit in Irak. Die landen hebben de luchtaanval dus niet uitgevoerd.

De Franse luchtmacht was niet betrokken bij het bombardement op Hawija, zo heeft een woordvoerder van het Franse ministerie van Defensie laten weten aan onze correspondent.

De aanduiding van het gebruikte wapen is ook een belangrijke aanwijzing. Toenmalige opperbevelhebber John Hesterman zei dat een ‘fairly small weapon’ gebruikt is. Het land dat verantwoordelijk is, moet lichte bommen in het arsenaal hebben gehad. Australië, België, Denemarken en het VK kochten pas later de lichte precisiebommen GBU-39.

Alleen Nederland en de VS beschikten in de zomer van 2015 over het bomtype GBU-39. En: luchtmachten van de twee landen namen in juni 2015 deel aan de bombardementen op IS-doelen in Irak.

Met medewerking van Ben Meindertsma en Lex Runderkamp (NOS) en de Deense onderzoeksjournalist Rasmus Raun Westh, initiatiefnemer van het internationale journalistieke project ‘Europe’s Hidden War’.