Opinie

De juristen een lesje leren

Harald Merckelbach

Moeten ze in het strafrecht de zaken eens wat wetenschappelijker aanpakken? Dat is wat critici, zoals de Nijmeegse filosoof Ton Derksen, vinden en ook op hoge toon uitdragen. Want, zo zeggen ze, in het strafrecht draait het om empirische vragen. Typisch voorbeeld: vermoordde Jan Klaassen zijn vrouw Katrijn? Als je dat wil weten, heb je niets aan juristerij. Je kunt beter de gereedschapskist van de wetenschap gaan halen. Daaruit selecteer je dan bruikbare informatie zoals het DNA van Klaassen op het moordwapen en de onnatuurlijke dood van Katrijn. Dat zet je allemaal op een rijtje en voilà, dan heb je een antwoord. En daarom, aldus nog steeds de critici, moeten strafrechtjuristen in de allereerste plaats streng worden opgevoed in de empirische wetenschap.

Ik geloof niet in de empirische wetenschap als rolmodel voor het strafrecht. Er bestaan grote cultuurverschillen tussen die twee en, nog belangrijker, deze verschillen hebben bestaansreden. Bijvoorbeeld: in de wetenschap wordt waarheidsvinding aangedreven door ongebreidelde nieuwsgierigheid en beweegt daarom alle kanten op. Maar waarheidsvinding in het strafrecht is scherp begrensd: het gaat over Jan Klaassen en dat hem een delict ten laste is gelegd. Niet over of zijn vader het ooit met de belastingdienst aan de stok heeft gehad. Dat is irrelevant.

In het duister tasten

Ander verschil: wetenschappers mogen treuzelen. Ze hebben de luxe om te zeggen dat ze voorlopig in het duister tasten. Meer onderzoek is nodig, roepen ze dan. In het strafrecht bestaat die vrijheid niet: er moet binnen een redelijke termijn een beslissing worden genomen.

Nog een verschil: wetenschappers gebruiken een glijdende schaal als ze oordelen over de waarde van een theorie. Ze kunnen bijvoorbeeld zeggen dat een theorie weliswaar tekortschiet, maar er voorlopig toch mee door kan. In het strafrecht zijn er maar twee smaken: Klaassen is schuldig of niet.

Dan: academische ruzies zijn gezond. Consensus is de dood in de pot van de wetenschap. Maar rechters spreken in beginsel met één stem. Het is niet de bedoeling dat na afloop van de zaak tegen Klaassen de ene rechter hem voor schuldig houdt en de ander hem vrijspreekt.

Al die verschillen tussen wetenschap en recht zijn afgeleiden van een diepere kwestie. Wetenschappers neigen ertoe om vast te klitten aan ideeën, vooral als hun naam ermee is verbonden. Soms zijn die ideeën onjuist, maar blijven ze toch rondzingen, omdat hun intellectuele vaders of moeders ze voortdurend proberen te rehabiliteren. Zulke zombie-ideeën leggen pas het loodje als er een generatiewisseling is. Vandaar dat Max Planck ooit zei dat de wetenschap voortschrijdt van begrafenis naar begrafenis. Die koppigheid wordt in het strafrecht als onwenselijk gezien. Daar tilt men zwaar aan stopregels. Met het oog op de belangen van verdachten, nabestaanden en slachtoffers moet het een keer afgelopen zijn. Het valt zo samen te vatten: terwijl bij de juristen een eindige rechtsgang als hoogste wijsheid geldt, drammen wetenschappers door in de ijdele hoop dat een afgeschreven idee toch levensvatbaar blijkt.

Oude strafzaken

Je kunt je alles voorstellen bij wetenschappers die strafrechtjuristen helpen bij het vaststellen van de feiten. Maar het is onverstandig om de regels van het strafrecht te modelleren naar de mores in de empirische wetenschap. Het heropenen van oude strafzaken is een goed voorbeeld. De wetenschap is genereus in het bieden van nieuwe kansen aan achterhaalde ideeën. De eerdergenoemde critici vinden dat zoiets ook in het strafrecht moet kunnen. Jan Klaassen is tot in hoger beroep veroordeeld, maar laten we zijn zaak toch maar eens heropenen, want hij blijft volhouden onschuldig te zijn. Wie dat tot principe verheft, piest in het gezicht van de slachtoffers. Iets vergelijkbaars geldt voor het overboord zetten van de stopregel dat niemand tweemaal voor hetzelfde feit kan worden vervolgd. Dan zal een onschuldige Jan Klaassen tot in lengte van dagen als verdachte worden opgejaagd. Hier kunnen de juristen dus maar beter ver uit de buurt van de wetenschap blijven.

Omgekeerde vraag die zelden wordt gesteld: kunnen wetenschappers iets leren van de juristen? Jawel. Zo bestaat er in de wetenschap de nogal primitieve gewoonte om belangrijke beslissingen achter gesloten deuren te nemen. Een onderzoeker stuurt een manuscript naar een tijdschrift. Vervolgens raadpleegt het tijdschrift anonieme beoordelaars over de waarde van het manuscript. Dat leunen op anonieme bronnen zie je ook bij hoe subsidieverzoeken in de wetenschap worden afgehandeld. In procedureel opzicht is het achterlijk. Want misschien laten de anonieme zegsmannen – juist omdat ze onzichtbaar zijn – wel andere belangen meewegen dan enkel die van de zuivere wetenschap. De juristen weten hoe je dat beter kunt aanpakken: deskundigen hebben namen en rugnummers en die raadpleeg je in het volle zicht en op een voor iedereen controleerbare manier. Dus ja, laten we maar eens wat vaker naar de juristen luisteren in plaats van ze hooghartig de les te lezen.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.