Recensie

Recensie Boeken

‘Nu het politiek zo uitkomt streeft aarts-ironicus Pfeijffer ineens naar oprechtheid’

Ilja Leonard Pfeijffer Dichter en romancier Pfeijffer schreef een essay over hedendaagse ironie. Daarin beklaagt hij zich over de ironie als wapen van alt-right, en haar destructieve gevolgen.

Giovanni Domenico Tiepolo (1727-1804): Drie figuren met maskers uit het fresco ‘Carnaval’ in Ca' Rezzonico in Venetië
Giovanni Domenico Tiepolo (1727-1804): Drie figuren met maskers uit het fresco ‘Carnaval’ in Ca' Rezzonico in Venetië Foto De Agostini/Getty Images

Ilja Leonard Pfeijffer heeft een wel zo onbenullig essay over ironie geschreven, dat je geneigd bent te denken dat het ironisch bedoeld is. In het kader van de reeks ‘Nieuw Licht’ is hem door de filosofen Frank Meester en Coen Simon gevraagd een hedendaagse visie op ironie te geven met als uitgangspunt de tekst Over het begrip ironie van de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Leidt een ironische levenshouding tot betekenisloosheid? Is ironie een stijlmiddel dat bijdraagt aan het toch al zo gepolariseerde debat? Zo ongeveer luiden de vragen.

Kierkegaard leefde en schreef halverwege de negentiende eeuw, een tijd waarin oude zekerheden wegvielen, en subjectivisme, relativisme en nihilisme vrij spel kregen. Een levenshouding genaamd ‘romantische ironie’ raakte in zwang, tot ergernis van de Duitse filosoof Hegel, die een dergelijke houding een bedreiging vond voor de ernst. Niets is nog belangrijk voor de ironicus. Uiteindelijk blijft alleen leegte over. Kierkegaard deelde veel van Hegels kritiekpunten, maar zag toch ook de voordelen van de ironie, die immers gebruikt kan worden om vastgeroeste ideeën te ondermijnen en daarmee ruimte te maken voor het nieuwe.

Ironie wordt steeds minder herkend, merkt Christiaan Weijts. „Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt?” Lees ook: De smiley is de betonrot in onze ironie

Pfeijffer geeft deze ideeën een tikje schools maar helder weer en zolang hij zich daartoe beperkt, is er weinig aan de hand. Maar zodra hij zelf aan het denken slaat, gaat het mis. Dat gebeurt wanneer hij de focus verplaatst naar onze tijd en de aandacht richt op ‘ironie als wapen van alt-right’. Als je Pfeijffer mag geloven, vaart men vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum wel bij een wereld waarin de waarheid is afgeschaft door toenemend subjectivisme en relativisme. En daar is ironie mede debet aan, want ‘de ironische levenshouding bevestigt en versterkt het subjectivisme.’ Ook ironie als stijlmiddel, gebruikt om gevestigde opvattingen of een benepen moraal te bestrijden, is in handen gevallen van rechts.

Bloedserieus

Het lijkt erop neer te komen dat ironie een leuk speeltje was voor iemand als Ilja Leonard Pfeijffer, die er tientallen jaren lang onbekommerd gebruik van heeft gemaakt in zijn werk, maar nu rechtse mensen er ook mee aan de slag zijn gegaan, is ironie ineens een bedreiging voor de wereldorde.

‘Wij zijn zelf de bourgeoisie geworden,’ schrijft Pfeijffer. ‘De superieure moraal die de ironicus op de korrel neemt, is onze moraal.’ Wie zijn die ‘wij’? Vermoedelijk een fictief eensgezind gezelschap bestaande uit de schrijver zelf en zijn lezerspubliek, dat blijkbaar dezelfde superieure moraal is toegedaan als hij. Een linkse moraal, eentje die politieke correctheid hoog in het vaandel heeft, en precies dáár slaat de hedendaagse rechtse ironicus op aan. Dit hangt samen met het veel gehoorde verwijt dat ‘links’ geen humor heeft, omdat men aan de linkerkant van het politieke spectrum oprecht durft te geloven in bepaalde waarden en er zodoende niet van gediend is als die waarden bespot worden.

Pfeijffer weet dondersgoed dat men aan de rechterkant wel degelijk ook zaken oprecht belangrijk vindt. Thierry Baudets hekel aan de EU is geen spelletje, de strijd van Geert Wilders tegen de islam is bloedserieus. Hun beider lofzang op ‘Nederlandse waarden’, wat je daar verder ook van vindt, lijkt mij oprecht. Maar Pfeijffer doet alsof links het alleenrecht heeft op oprechte betrokkenheid.

Linkse hoek

Bizar is ook dat hij subjectiviteit en relativisme in de schoenen van rechts schuift, terwijl juist de onderwerpen die je nogal eens uit linkse hoek hoort komen — het bestrijden van het patriarchaat, het dekoloniseren van instituties, het oprekken van genderrolbegrenzingen — gestoeld zijn op een postmodernistische denktrant, waarbinnen relativisme en subjectivisme de boventoon voeren. Als er één politieke stroming stevig in de traditie staat van het postmodernistische deconstrueren van een gedeelde werkelijkheid en gedeelde normen en waarden, dan is het wel links.

Geen woord hierover van Pfeijffer.

Ook horen we hem niet over de mogelijkheid van constructief en uit betrokkenheid voortkomend gebruik van ironie, bijvoorbeeld om de veelkantige complexiteit van de wereld tot uitdrukking te brengen. Of zoals P.F. Thomése het ooit zo prachtig formuleerde: ‘ironie, dat gecompliceerde wapen waarmee je raak kunt schieten door heel precies naast het doel te mikken.’

Lees ook de recensie van Pfeijffers laatste roman: Met ‘Grand Hotel Europa’ schreef Pfeijffer de roman van het jaar

Wel sluit Pfeijffer zijn pamflet af met een epiloog die zich laat lezen als de bekentenis van een bekeerling. Door het schrijven van zijn essay is hij ‘doordrongen geraakt van de destructieve gevolgen van een overvloed aan ironie’. Als een zojuist gestopte roker die onmiddellijk anderen de les gaat lezen, schrijft hij: ‘Ironie is de vijand van betrokkenheid en ontneemt ons datgene waarin we serieus denken te geloven. Zo iemand wil ik niet worden.’ En als klap op de vuurpijl: ‘er is tegenwoordig wel genoeg ironie.’

‘Onverstaanbare’ poëzie

Dit alles zou een ironische boobytrap kunnen zijn waar ik met open ogen intrap. Maar wat Pfeijffer schrijft sluit aan bij zijn columnistieke werk van de afgelopen jaren en ook bij ontwikkelingen die hij als dichter en romancier heeft doorgemaakt. Pfeijffer is de man die in zijn essayboek over poëzie Het geheim van het vermoorde geneuzel (2003), dat ik overigens als zijn beste werk beschouw, nadrukkelijk pleitte voor ‘onverstaanbare’ poëzie, poëzie die niet eenduidig is, zodat er geen definitieve interpretatie bestaat (een subjectivistische visie). Ruim tien jaar later publiceerde deze zelfde Pfeijffer de poëziebundel Idyllen (2015): keurig verstaanbare poëzie in keurige, rijmende alexandrijnen. Daarnaast verkondigde hij jarenlang dat inhoud eigenlijk onbelangrijk is, want alles draait om stijl. In Ondraaglijke lichtheid concludeert hij met Hegel dat de vrijblijvendheid van ironie tot ‘leeg formalisme’ leidt. Leeg formalisme, louter stijl.

Gestopt met alcohol

Eveneens in Het geheim van het vermoorde geneuzel bespotte hij met vernietigende ironie schrijvers die in de media koketteren met het autobiografische gehalte van hun fictie of poëzie. Tegenwoordig vertelt diezelfde Pfeijffer in interviews gretig dat hij, ja heus, écht in Genua woont, dat hij helemaal autobiografisch gestopt is met drinken, dat hij geheel authentiek zijn vriendin elke ochtend naar haar werk brengt zoals de hoofdfiguur van zijn roman Grand Hotel Europa, en ja, dat hij eerlijk waar in Venetië is geweest om daar het toerisme aan een diepgravend onderzoek te onderwerpen.

Van gedachte veranderen kan gezond zijn, maar als je het al te vaak doet, komt je geloofwaardigheid in het geding. Nu het politiek zo uitkomt streeft aarts-ironicus Pfeijffer ineens naar oprechtheid. Maak dat de kat wijs. Misschien is het ironie, en dan is Ondraaglijke lichtheid een oninteressante, in zichzelf gekeerde grap. Maar waarschijnlijk is dit alles oprecht bedoeld, en dan is het alleen maar lachwekkend.