David van Bodegom: „Eencelligen hebben het eeuwige leven, omdat ze zich ongeslachtelijk voort blijven planten.”

Foto Roger Cremers

‘Aan walvisoorsmeer zie je de ouderdom’

Interview | David van Bodegom Verouderingswetenschapper David van Bodegom zocht uit waarom sommige diersoorten langer leven dan andere – en wat de mens daarvan kan leren.

De oliebollen in de vergaderruimte van de Leyden Academy on Vitality and Ageing staan onaangeroerd. „Wil je er een?” vraagt David van Bodegom. Het is daags na 3 oktober, de dag van het Leids Ontzet. Hij bedoelt het niet eens als strikvraag, maar toch voelt het verkeerd om nu ‘ja’ te zeggen, na het lezen van zijn nieuwste boek, Het geheim van de schildpad. De ondertitel luidt Wat dieren ons leren over lang leven en één van de lessen is om niet te veel te eten. „Obesitas is een ziekte van mensen en van huisdieren”, zegt Van Bodegom. „Heb jij ooit een giraf met overgewicht gezien?”

Op de achterflap van het boek staat Van Bodegom omschreven als arts en verouderingswetenschapper, maar hij begon zijn loopbaan als historicus, afgestudeerd op offers in de Griekse Oudheid. „Ik heb altijd van oude dingen gehouden.” Na zijn studie geschiedenis ging hij opnieuw de schoolbanken in en zo volgde hij als geneeskundestudent het vak biology of ageing. „Daarvoor was speciaal een bioloog uit Newcastle ingevlogen, Tom Kirkwood. Die vertelde fascinerende verhalen over veroudering in het dierenrijk.” Later doceerde Van Bodegom dat vak ook zelf, en sloot hij zich aan bij een discussiegroep. „Al twaalf jaar lang komen we eens in de twee weken bij elkaar om een recent paper over ‘iets’ met biologie en veroudering te bespreken.”

Zodoende staat zijn boek vol voorbeelden: van de noordkromp (een schelpdier dat ruim 500 jaar oud kan worden) tot de naakte molrat (met 32 jaar het langst levende knaagdier). Aan de hand van al die soorten legt Van Bodegom uit hoe het kan dat sommige dieren vroeg pieken en vroeg sterven, terwijl andere schijnbaar het eeuwige leven hebben.

Waarom verouderen we überhaupt?

„Verouderingstheorieën zijn van alle tijden. Aristoteles dacht dat de ouderdom een opdroogproces was: olifanten zouden langer leven dan kleinere dieren, omdat ze meer vocht bevatten. Na Darwin raakte de voorgeprogrammeerde verouderingstheorie in zwang: aftakeling en verval zouden actieve processen zijn die ervoor zorgen dat oude mensen worden opgeruimd en er ruimte komt voor jonge mensen. Maar zo’n voorprogrammering is helemaal niet nodig, omdat weinig dieren in het wild van ouderdom sterven. Meestal zorgen kou, honger en roofdieren ervoor dat ze die hoge leeftijd niet bereiken. Dus nu is de meest recente theorie die van het ‘wegwerplichaam’, bedacht door Tom Kirkwood: elke diersoort krijgt in de evolutie een lichaam dat lang genoeg meegaat voor de voortplanting en de zorg voor het nageslacht. Daarna begint de ‘reservetijd’, inclusief ouderdomsziekten.”

Elke diersoort krijgt in een lichaam dat lang genoeg meegaat voor voortplanting en zorg voor nageslacht

 

Wie de 250 wil halen, moet een schildpad worden, schrijf je. De oudste mens tot nu toe was 122 toen ze stierf. Hoe ontstaan die verschillen tussen soorten?

„Grofweg zijn er in de natuur twee strategieën: investeren in voortplanten of voortleven. Muizen gaan vaak al in hun eerste levensjaar dood, maar krijgen wel veel nakomelingen. Olifanten leven veel langer, maar krijgen pas na hun tiende levensjaar voor het eerst een jong. Gemiddeld hebben ze aan het eind van hun leven allebei twee kinderen gekregen die zich zelf ook weer hebben voortgeplant.

„Welke strategie het beste bij een soort past, hangt af van de mate waarin ze aan externe doodsoorzaken zijn aangepast. Een muis op de bosgrond is klein en kwetsbaar en overleeft toch niet lang. Een olifant is groot en heeft weinig last van kou, honger of vijanden. Ook dieren met vleugels, dieren met een pantser en dieren die in groepen leven zijn relatief beschermd tegen zulke ‘extrinsieke mortaliteit’. Die kunnen dus investeren in een herstelprogramma om interne slijtage tegen te gaan.”

Interne slijtage?

„Al vanaf het moment dat we in de baarmoeder zitten, delen onze cellen zich. Door energieopwekking in die cellen ontstaan oxidanten: zuurstofradicalen die voor beschadiging zorgen. Leven is inherent dodelijk. Maar ons lichaam kan die slijtage remmen. Bijvoorbeeld door een trage stofwisseling: soorten die minder energie verbruiken, leven langer. Om die reden leven koudbloedige dieren ook veel langer in een koude omgeving dan in een warme omgeving. De beekparelmossel wordt bijvoorbeeld 29 jaar oud in Spanje, en 200 jaar oud in Rusland. Warmbloedige dieren kunnen bijvoorbeeld een winterslaap houden en daardoor 1,5 keer zo oud worden. En dan heb je nog de naakte molrat, het lelijkste zoogdier na de mens. Die leven in groepen in ondergrondse burchten en zijn de enige poikilotherme zoogdieren: ze hebben een variabele lichaamstemperatuur. Bij weinig zuurstof verlagen ze hun temperatuur en vertragen ze hun stofwisseling. Vermoedelijk draagt dat eraan bij dat ze ruim dertig jaar oud kunnen worden.

„Mensen doen niet aan winterslaap en hebben ook niet zo’n variabele temperatuur, maar toch kun je je stofwisseling wel beïnvloeden: als jij steeds in de kou zit, moet je interne kacheltje harder branden. Dat zorgt voor extra slijtage, net als sporten. We denken vaak dat die extra verbranding goed is, omdat we erdoor afvallen, maar het heeft dus een keerzijde. Wie minder eet, hoeft minder te sporten en slijt minder snel. Dat blijkt ook uit onderzoek onder bijen: als ze moesten rondvliegen met gewichtjes – en dus harder moesten werken – leefden ze korter.”

Welke diersoort kan het oudst worden?

„Eencelligen hebben in principe het eeuwige leven, omdat ze zich ongeslachtelijk blijven voortplanten. Vier miljard jaar lang delen ze zichzelf al. Gelukkig zijn ook menselijke geslachtscellen vrij van slijtage – anders zou mijn zoontje zijn geboren met mijn versleten cellen. Zo beschouwd hebben wij allemaal een stukje in ons lichaam dat niet veroudert.”

Een Groenlandse walvis is groot, in de oceaan is het zelden te warm of te koud, nooit te droog of te nat

 

Welk dier vind jij zelf het meest fascinerend?

„De Groenlandse walvis. Die is onder de zoogdieren de kampioen lang leven, met een leeftijd van ruim tweehonderd jaar. Walvissen maken oorsmeer aan, maar omdat hun oor aan de buitenkant door een speklaag is afgesloten hoopt het smeer zich op tot een enorme prop. Het interessante van die oorprop is dat je ’m in de lengte kunt doorsnijden, als een baguette, en dat je er dan jaarringen in kunt herkennen, net als bij bomen. Die walvissen migreren jaarlijks van noordelijke naar zuidelijke wateren en weer terug, en daardoor ontstaan verschillen in oorsmeerkleur.”

„Een Groenlandse walvis is groot, in de oceaan is het zelden te warm of te koud, nooit te droog of te nat, er zwemmen geen natuurlijke vijanden rond en er drijft altijd wel wat eten voorbij. De extrinsieke mortaliteit is dus laag. Bovendien profiteert de walvis net als bijvoorbeeld de olifant van schaalvoordeel: per gram lichaamsgewicht eet en verbrandt een groot dier minder dan een klein dier. En het walvishart klopt veel trager dan dat van een muis: zes in plaats van zeshonderd keer per minuut. Ook dat draagt bij aan een lage stofwisseling.”