Wie heeft over negen maanden in Tokio de perfecte fiets?

EK baanwielrennen De Nederlandse baansprinters rijden voor het eerst op een nieuwe, maar nog incomplete fiets. „Ik zou niet weten wat beter kan.”

Nederland werd woensdag Europees kampioen teamsprint. Harrie Lavreysen en Jeffrey Hoogland reden op de nieuwe fiets, een prototype.
Nederland werd woensdag Europees kampioen teamsprint. Harrie Lavreysen en Jeffrey Hoogland reden op de nieuwe fiets, een prototype. Foto Vincent Jannink/ANP

Een paar minuten voor drie op woensdagmiddag klinkt in het Nederlandse kamp het geluid van klittenband dat opengaat. Vlak voor de teamsprint begint worden twee frames ontdaan van zwart canvas. Niemand heeft er een blik op kunnen werpen, zoals afgevaardigden van fietsmerk BMC onlangs probeerden tijdens een trainingskamp in Zwitserland. Helemaal in Nieuw-Zeeland werd een artikel gewijd aan het nieuwste wapen van Nederland.

Tevoorschijn komen futuristische fietsen, met brede buizen en strakke lijnen. De mecaniciens van de Nederlandse ploeg lopen ermee naar de andere kant van het Omnisport, deze dagen decor van het EK baanwielrennen, en blijven erbij waken tot de renners naar de start worden geroepen.

Testen in competitie

De bonkige sprinters Harrie Lavreysen en Matthijs Büchli, regerend wereldkampioenen, hebben de eer om de nieuwe baanfiets van de Nederlandse selectie voor het eerst in competitie te testen – ze hebben er al een paar maanden op kunnen trainen, maar niet op deze intensiteit.

Het gaat om twee prototypes in framemaat L, glimmend zwart met wat oranje accenten. De fiets heeft nog niet eens een naam, die wordt komende zaterdag gekozen uit zeventienhonderd inzendingen. Tot dan spreekt men over ‘Project Tokio’.

Op de zijkant staat in grote witte letters de naam van geldschieter Koga, het Nederlandse fietsmerk dat na de Spelen van Rio (2016) besloot „een half miljoen tot een miljoen euro” te investeren in een nieuwe baanfiets – ontwikkelingskosten, manuren. Renners zeurden al sinds de Spelen in Londen (2012) om een nieuw rijwiel, toen de Britse selectie zo’n beetje al het sprintgoud won op hypermoderne, innovatieve fietsen zonder merk, waarover tot op de dag van vandaag geheimzinnigheid bestaat.

Regels schrijven voor dat de frames ook voor de consument beschikbaar moeten zijn, maar die van de Britten zijn dat nooit geweest. Tot sancties van wielerfederatie UCI kwam het niet. Project Tokio gaat voor de gewone sterveling 9.500 euro kosten.

Ontwerp uit 2006

De Nederlandse equipe moest het al die tijd doen met een gedateerd ontwerp, de Koga Kimera, die in 2006 werd ontwikkeld voor en toegesneden op het lichaam van Theo Bos, destijds dé Nederlandse sprinter van wereldniveau, topfavoriet voor goud in Beijing (2008) maar falend in die missie. Opvallend aan die fiets zijn de ronde lijnen – de bovenbuis loopt krom als de rug van een kat in het nauw – en de fiets is korter dan ideaal is voor de huidige generatie Nederlandse toppers, veelal lang van stuk.

Hun rug boggelt als ze vol op de pedalen aanzetten, waardoor ze een boel wind vangen. Kenners wisten al jaren dat het balhoofd van de fiets, de buis onder het stuur, zo lomp van ontwerp was dat de wind er tegen kapotsloeg in plaats van er soepeltjes langs gleed.

De Kimera werd in aanloop naar Rio wel geüpdatet en Nederland won er goud (Elis Ligtlee) en zilver (Büchli) op, maar de rest van het sprintgoud ging weer naar de Britten, van wie bekend is dat ze opereren en investeren in olympische cycli. Wil Nederland iets uitrichten in Tokio, in de wetenschap dat het met Jeffrey Hoogland en Lavreysen fysiek gezien de beste sprinters in huis heeft, dan moest het materiaal beter.

Uiteindelijk kwam het er van. In maart 2017 wist Koga bij moederbedrijf Accell Group een zak geld los te peuteren met als doel de status van „premium merk” te blijven uitdragen. Het was hier, in een vergaderzaaltje van het Omnisport, dat renners, coaches, en wetenschappers bijeenkwamen en op een blanco vel begonnen aan het ontwerp van een nieuwe baanfiets.

Het ontwerp (foto hierboven) van de oude Koga, Kimera genoemd. Deze werd in 2006 ontwikkeld.

De nieuwe fiets van de Nederlandse selectie, ook van Koga, voorlopig ‘Project Tokio’ genoemd.

Koga had geleerd van de ontwikkeling van de Kimera, waarbij destijds alleen Theo Bos werd betrokken. Dat leidde tot verontwaardiging bij collega’s, die zich buitengesloten voelden. Van Project Tokio zou iedereen ‘eigenaar’ worden. Maandelijkse sessies en thema-avonden volgden.

De meesten vonden dat de nieuwe fiets aerodynamischer moest worden, en ook stijver – die laatste eigenschap heeft carbon, een koolstofmateriaal dat bijdraagt aan een optimale krachtoverbrenging. Hoe meer ‘lapjes’ carbon, hoe stijver. Maar ook zwaarder, weer niet wenselijk. Het feit dat iedereen iets over het ontwerp te zeggen had, leidde nog wel eens tot interne strubbelingen, zegt Jeffrey Hoogland. „Vooral met Matthijs, die het frame graag zo licht mogelijk wilde. Maar dat kost je stijfheid, en dat was voor mij weer het belangrijkst.” Uiteindelijk gaven objectieve rekenmodellen de doorslag.

De TU Delft hield interviews met alle renners van het Nederlandse team om erachter te komen wat hun ideale zitpositie is, en voerde die in een computermodel in. Met een ander model konden ze bij aanpassingen het nieuwe stuurgedrag van een fietsontwerp meten, net als het resultaat bij een veranderde geometrie van het frame. Uit alle gegevens kwamen vier framematen waarmee de hele selectie van een passende fiets kon worden voorzien. Met een verstelbare zadelpen en acht verschillende sturen zou de fiets nog verder gepersonaliseerd worden.

Een virtuele windtunnel

Het bedrijf Actiflow kwam met een virtuele windtunnel tot een frame dat binnen de regels van de UCI de optimale aerodynamica heeft. Zo hoefde er niet bij elke verandering aan buisdikte of –vorm een fysieke fiets te worden gebouwd, en dat scheelde geld. Alle buizen kregen de vorm van een vliegtuigvleugel, omdat dat tot de minste luchtweerstand leidt. Pontis Engeneering uit Amsterdam ontwierp de losse onderdelen. De productie werd gedaan in China.

Hoogland mocht de fiets als eerste gebruiken. In de postolympische periode was hij beste sprinter van het Nederlands team, en bovendien zat hij met zijn 1.84 meter het meest „opgekropt” op de Kimera. Hoogland kan als enige 700 kilo met zijn benen wegduwen in het krachthonk, dus de fiets moest zijn piekkracht, die tijdens de sprint vrijkomt bij de allereerste pedaalslag, kunnen weerstaan.

Hoogland traint al sinds april op een prototype, en voelde de eerste keer meteen dat de fiets minder nerveus stuurde, en beter reageerde op zijn pedaalslag. Hij spreekt ook van een mentaal voordeel, want hij weet dat hij op een fiets rijdt die hij voor een deel zelf heeft ontworpen, en die niet beter kán.

Vooral zijn positie op de fiets verbeterde aanzienlijk: hij is zeven centimeter lager komen te zitten, duikt dus beter onder de wind door. Zijn rug is niet langer bol, maar plat, en omdat de nieuwe fiets 23 millimeter langer is geworden, komen zijn knieën niet meer tegen zijn ellebogen en kan hij die dichter bij elkaar houden, waardoor zijn frontale oppervlak kleiner is. „Ik kan niet bedenken wat er beter kan aan deze fiets”, zegt mecanicien Tim de Boer.

Op de teamsprint, waarbij drie mannen ieder een ronde van 250 meter afleggen, zou de nieuwe Koga vier tienden van een seconde sneller moeten zijn. Voor wielerbond KNWU is dat onderdeel prioriteit op de Spelen van volgend jaar in Tokio, want veel medaillekansen. Op de Kimera reed het Nederlands team in februari op het WK in Polen bijna een wereldrecord. En dus is er de hoop dat die toptijd, gereden in de ijle lucht in het Mexicaanse Aguascalientes, er op het EK in Apeldoorn al aan gaat.

Maar het productieproces liep vertraging op, er waren slechts twee frames op tijd klaar. En omdat de teamsprint met drie man wordt gereden, moest starter Roy van den Berg het doen op zijn oude fiets. Hij heeft het minste voordeel van de nieuwe, omdat hij de race in gang trekt en het kortst op topsnelheid rijdt. Volgende maand moeten alle 44 frames worden uitgeleverd. Ook het paralympisch team wordt voorzien van vier nieuwe Koga’s.

Stuurtjes nog niet leverbaar

De geïntegreerde stuurtjes, cockpits in jargon, zijn pas een half jaar voor de Spelen leverbaar, dus in Apeldoorn staat nog verre van een eindproduct aan de start. Uit het zwarte canvas komen woensdagmiddag hypermoderne frames waarin oude stuurtjes zijn gestoken. Het ziet er wat provisorisch uit. Als Hoogland vol aan zijn stuur trekt, voelt hij het aluminium van de oude stuurpen „flexen”. Het kan alleen nog maar beter worden de komende tijd.

Na de kwalificatie, die Nederland met een slechte start alsnog als snelste afwerkt, wordt het frame van Matthijs Büchli omgebouwd naar de maten van Hoogland – het is een beetje behelpen in deze fase. Het EK in Apeldoorn wordt dan ook gebruikt als testwedstrijd voor het materiaal. En niet alleen door Nederland.

Baanwielrenners zijn materiaalfreaks, omdat het een sport is die in duizendsten van seconden kan worden beslist. Büchli heeft woensdag de nieuwste schoenen van de Britten gespot, het team dat sinds 2012 als referentie dient, en dat zit hem niet helemaal lekker. Drievoudig olympisch kampioen in ‘Rio’, Jason Kenny, heeft het riempje dat de wielerschoen stevig op het pedaal moet houden bij de enorme krachten die vrijkomen, ónder zijn schoen zitten, en er niet overheen. „Scheelt zo drie honderdsten”, speculeert Büchli droogjes. „En ze hebben vast ook nieuwe helmen, nieuwe fietsen. Alles bij elkaar gaan ze in Tokio misschien wel een seconde sneller zijn.”

De nieuwe van de Britten

In de finale rijdt Nederland tegen Groot-Brittannië. Kenny pielt aan zijn nieuwe schoensysteem, dat half los zit als hij aan de start verschijnt en duidelijk nog verbetering vereist. Alex Joffrey, mecanicien van de Britten, heeft het over „een heel simpel systeem” op basis van klittenband – „geen hogere wiskunde”.

Hij laat zich ook ontvallen dat de Britse baanploeg over iets meer dan twee weken eindelijk de beschikking heeft over de baanfiets waarop in Tokio zal worden gereden, „ontwikkeld door een fietsmerk én een automerk”. Als Formule 1-fabrikant McLaren genoemd wordt, grijnst Joffrey zijn tanden bloot. „Kan ik niks over zeggen”. Bij de wereldbeker van Minsk (1-3 november) zullen ze er voor het eerst mee rijden. Dan weten de Nederlandse mannen echt waar ze staan.

Want hoewel ze woensdagavond Europees kampioen teamsprint worden, met gemak, voelen ze ook dat de Britten ze in eigen huis zand in de ogen strooien. Ze fietsen, net als Nederland, met meetapparatuur onder hun frame, rijden op fietsen van zeven jaar oud, maar naderen toch tot op zeven tienden, waar het verschil in maart nog anderhalve seconde was.

Jeffrey Hoogland vindt het wel lekker, de hete adem van de Britten. Zo blijft hij scherp. En hoewel hij in de finale in Apeldoorn zijn snelste volle ronde ooit rijdt, weet hij dat het over negen maanden in Tokio nog harder zal moeten, en ook zal gaan. Hij wacht met smart op zijn nieuwe stuur. En op wielen van „een Nederlandse fabrikant” die hij bijna bij naam noemt als hij net op tijd wordt teruggefloten door zijn persvoorlichter. De olympische wedloop is officieel begonnen.