Recensie

Recensie Boeken

Een spetterend boek vol bizarre en hartverscheurende brieven

Brieven (●●●●●) Voor haar nieuwe, spetterende boek verzamelde Jet Steinz (1990) de 150 opmerkelijkste Nederlandse brieven: van Titanic-post tot het afscheidsbriefje van Herman Brood.

Jet Steinz
Jet Steinz Foto via Uitgeverij Podium

Was het niet Erasmus, die een omstandige brief besloot met zich te verontschuldigen dat hij niet de tijd had genomen korter te zijn? Ik moest er aan denken bij het tweeregelige berichtje van actrice Sarah Bernhardt uit 1915 aan een collega: ‘De dokter snijdt maandag mijn been eraf. Ben heel blij.’ Ruim een eeuw eerder was schrijfster Fanny Burney een stuk langer van stof, toen ze in een brief vanuit Parijs aan haar zuster minutieus beschreef hoe haar een borst was afgezet: ‘En toen voelde ik het Mes langs het borstbeen gaan, schrapend!’ Bij Burney had ik dezelfde Erasmus-associatie, al moest alles haar in 1802 waarschijnlijk gewoon van het hart.

Zowel de ultrakorte als de vijf pagina’s tellende brief staan afgedrukt in de brievenbloemlezing Geschreven geschiedenis van de Britse historicus Simon Sebag Montefiore (1965). In zijn inleiding schrijft hij over de teloorgang van de epistolaire cultuur. Gedenk de brief, natuurlijk. Maar hoe doe je dat? Montefiore besloot brieven op te nemen ‘die op een of andere manier een verandering teweeg hebben gebracht – in tijden van oorlog en vrede, in kunst en cultuur’. Maar hoezo dan Bernhardt en Burney? Beiden overleefden de operatie, en de wereldhistorische gevolgen van een respectievelijk afwezige borst en been lijken nogal te overzien. Dat briefje en brief in Montefiore’s boek samen ook nog eens een afzonderlijke afdeling uitmaken (wonderlijk genoeg ‘Moed’ geheten), doet vragen rijzen over deze keuze.

Historiebepalende of -beïnvloedende brieven biedt Geschreven geschiedenis intussen zeker. Alleen al de schrijvers ervan: Catharina de Grote, Napoleon, Willem de Zwijger, Ramses de Grote, Columbus, Eisenhower, Churchill, Lenin, Tito, Truman, et cetera. Belangrijke teksten soms, maar epistolair geslaagd?

Michelangelo’s jammerbrief

Prachtig is wel de jammerbrief van Michelangelo uit 1509, bezig met zijn halsbrekende plafondbeschildering van de Sixtijnse kapel: ‘Ik heb al een halsgezwel door deze marteling. […] Van mijn penseel, altijd boven me, drupt de verf, wat mijn gezicht een mooie lekbak maakt voor wat er valt. Mijn huid hangt los naar beneden, mijn ruggengraat zit in de knoop van al het dubbel buigen.’ Aardig en historisch is ook de brief aan de moeder van de Schotse kapitein Chater vanuit de loopgraven, over het beroemde Kerstbestand uit oorlogsjaar 1914: ‘Onze doedelzakspelers liepen gewoon rond in het open terrein.’

Te vaak in Geschreven geschiedenis echter duikt (tussen regelmatig gapen door) de hoofdschuddende geest van Erasmus op: had Montefiore maar meer de tijd genomen korter te citeren. Van groots brievenschrijver Erasmus verscheen in 1522 trouwens Opus de conscribendis epistulis, het ‘boek over het schrijven van brieven’, in deze bloemlezing ontbreekt zijn naam.

De ouderwetse brief gedenken deed ook Jet Steinz (1990), ze richt er een waar mausoleum voor op in P.S., een bloemlezing van vaderlandse brieven door de eeuwen heen. Het doet ons stilstaan bij een groot verlies. In tegenstelling tot vele lijkgebouwen is het in P.S. een leven van jewelste. Sommige epistels zingen of zuchten, er wordt gescholden en gerouwd, men haat, heeft lief, geeft raad of vraagt daarom, belijdt zijn geloof of valt daar juist vanaf.

Vanaf de Titanic

De hele emotiewaaier van de mens wordt in dit boek spetterend uiteengevouwen, en het is alsof je al die stemmen hoort. Van literair beschaafd tot rauw en schril, soms ratelt er een scheet, klinkt een kattenbelletje, soms zijn er laatste woorden. De opening is al meteen veelbelovend. Een laatste brief vanaf een zinkend schip. Een fluit of brik, zoiets. Geen stoom. ‘Beklaag een ongelukkige, vaarwel voor eeuwig.’ De stemming zit er meteen in. De derde P.S.-brief is geschreven aan boord van ‘een mooie boot met vier schoorsteenen’, Titanic geheten. Over post scriptum gesproken. Dan komt Jet Steinz met een uniek zeebericht: een contactadvertentie, in een fles aan de baren toevertrouwd: ‘Ik draag een bril, ben iets aan de dikke kant, 57,5 jaar en houw van veel dingen.’ In een van haar steevast verhelderende terzijdes vertelt de encyclopedisch grondige samensteller dat ze de betreffende dame heeft opgezocht. Deze blijkt de afgelopen jaren verschillende zonsverduisteringen te hebben gezien. In haar eentje, niet alle brieven vinden een juist adres. Deze flessenpost miste dus alle (wereld)historische impact, maar schittert in Steinz’ epistolaire context.

Uit hun dramatische briefwisseling blijkt dat Joseph Roth en Stefan Zweig op den duur niet meer zonder elkaar konden. Lees ook: De complexe ‘bromance’ tussen twee legendarische schrijvers

In P.S. is niet op schrijfstijl geselecteerd, noch op stand, leeftijd of beroemdheid. Vandaar de keuze voor een jongensbriefje aan de Amsterdamse politie uit kroningsfeestjaar 1980, waarin de ME (met instructieve tekening) wordt aangeraden betogers ‘harder te slaan’. Of het briefje uit eind mei ’45 van de Haagse mevrouw St. Nicolaas, die de ‘Exceleti’ van de regering hartelijk bedankt voor de bevrijding, en tevens de beruchte fietsenkwestie aansnijdt (vele Duitsers reden na de capitulatie op onze tweewielers naar huis). Zelf is ze slecht ter been maar fietsen lukt beter, en: ‘Mijn Man gebroken door den vijand niets over hebbende dan stuur en zadel wensch ik ook een ros toe.’

Mannelijk zaad

Onbedaarlijke, niet zelden bizarre regels, Jet Steinz heeft er smaak voor. Verrukkelijk is ook een van de 560 brieven die natuurkundig microscopist Antoni van Leeuwenhoek aan de Royal Society in Londen schreef, over het enorme aantal ‘dierkens’ dat hij aantrof in mannelijk zaad van mensen en dieren. Hogeschoolrekenwerk, waarmee hij meent aan te tonen dat het hom van één flinke kabeljauw meer levende dierkens voortbrengt dan er mensen op de aardbol zijn. En als we ons afvragen hoe Leeuwenhoek aan mensenzaad komt, staat bloemlezer Steinz ons wederom ter zijde: aan de hand van een briefcitaatje uit 1667 maakt ze duidelijk dat het hier geen masturbatieproduct betreft (‘Ik doe het zonder mij te bezoedelen’), maar het residu van een natte droom. Mores van die tijd: onbewuste zelfbevlekking treft blaam noch schuld.

De bundeling van ruim 200 brieven van de schrijvende bioloog en beeldend kunstenaar Tijs Goldschmidt leest als een liefdesverklaring aan zo ongeveer alle fauna op aarde. Lees ook: De verslavende brieven van een spijbelaar

De brieven en briefjes in P.S. wekken uiteenlopende gevoelens op. Sophie Anne van Pipenpoy, alleenstaand bewoonster van Liauckama State, schrijft in 1656 over de nare geintjes die de Sexbierum-dorpsgenoten haar flikken: ‘Toen [de kerk hier] werd gepoetst heeft men een opening gemaakt [...] zodat het water in mijn graven kon lopen. En dat met deze woorden, dat de oude vrouw nu zo lang dorst had geleden dat het tijd werd dat ze eens te drinken kreeg.’ Je hebt met haar te doen, zeker als Steinz erbij vertelt dat Pipenpoy’s eerste man in een duel de dood vond, en ze zijn opvolger wel de deur uit moest doen omdat hij voortdurend vreemdging.

Varkens slachten

Soms wordt de lezer van P.S. met stomheid geslagen, bijvoorbeeld bij de huiveringwekkende kwestie die rabbijn Joseph David Wijnkoop in 1902 kreeg voorgelegd in verband met de centrale verwarming in het Israëlisch Weeshuis in Amsterdam: ‘Wanneer men nu in een der kamers warmte wenscht te hebben, dan draait men een raadje om en het warme water loopt door de buizen. Nu werd mij door den heer de Liema vader in ’t C.I.W. gevraagd of hij zelf op die wijze het raadje mag omdraaien op Sjabbat of dat hij dat door een niet-jood moet laten doen.’

We vinden gewetenloze afperserspost uit 1943: ‘Daar het mij bekend is dat U drie joden in Uw huis verborgen houdt’

Hoe grondig Jet Steinz het brievengenre heeft doorgespit blijkt wel uit de keuze van een viertal opgenomen kattenbelletjes die schrijver Aar van de Werfhorst iedere avond voor zijn huishoudster achterliet (‘Lief Rietje, Wel te rusten, Aar. Stem PvdA’). In dezelfde P.S.-rubriek ‘Huis- tuin-en-keukenbrieven’ vinden we alledaagse berichten uit 1676 van de op Slot Amerongen achtergebleven, zelfredzame Margaretha Turnor aan haar buitenlands verblijvende echtgenoot: ’Mijn heer en liefste hartje, [...] [ik] heb vier van onze thuis gemeste varkens en twee eikelvarkens geslacht en bij alle zes ging het heel netjes [...]. Poten en nieren gaan in de worst.’ Chapeau!

Afscheidsbrief Herman Brood

Schokkend zijn enkele van de dreigbrieven in P.S. als die uit oorlogsjaar 1917 aan Neêrlands voedseldistributie-bewindsman Posthuma: ‘Als vóór 5 februari a.s. de distributie niet beter geregeld is, zijt gij een man des doods.’ We vinden gewetenloze afperserspost uit 1943: ‘Daar het mij bekend is dat U drie joden in Uw huis verborgen houdt’, wordt aangeraden op bepaalde datum en tijd 750 gulden aan een Coolsingel-kiosk af te leveren: ‘Mocht het er niet zijn, dan voel ik mij verplicht anderen maatregelen te treffen.’ En ronduit hartverscheurend is het aan vrouw en kinderen gerichte briefje dat in de jaszak van Herman Brood werd aangetroffen, na zijn sprong van het Hiltondak in 2001: ‘Ik ga nu bungy zonder elastiek. Genade – pappa.’

De bloemlezing is een kunstvorm. Vorig jaar verscheen Luc Panhuysen en René van Stipriaans brieven- en documentenverzameling Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog. Een meesterlijke anthologie. Kwestie van uitgekiend, creatief ordenen van een hoogst persoonlijke keuze die een helder algemeen beeld geeft. Kort gehouden waar het kan, lang waar het moet.

Hetzelfde geldt voor Jet Steinz’ P.S. In tegenstelling tot Montefiore’s nogal obligate, kundig samengestelde, maar saaie Geschreven geschiedenis val je in haar brievenboek van de ene in de andere verrassing. Het is een fraai monument voor een – naar ik vrees – morsdood genre in onze schriftcultuur.