Van de Ven fotografeerde in dienst van HAL veel landverhuizers, zoals deze Drentse familie op weg naar Australië

Foto Daniël van de Ven

Daniël van de Ven legde het opveren van Rotterdam vast

Fotografie De fotojournalist die naast landverhuizers ook de stad en de opbloeiende haven fotografeerde, heeft nu een tentoonstelling in de Kunsthal.

„Ik ben natuurlijk een oude man, hè”, zegt Daniël van de Ven (1929) zodra hij in de vierkante leunstoel zit die haaks op de bank staat. Hij maakt een gebaar alsof hij wil zeggen: kom maar op met je vragen, maar voordat ik mijn mond heb kunnen opendoen, is hij al begonnen met praten, terwijl hij me met zijn heldere, bruine ogen aankijkt.

„Ik ben geboren in Delfshaven, mijn vader had daar een café. Dat is negentig jaar geleden. Ik heb gelukkig een goed geheugen, alles kan ik me goed herinneren. In de oorlog was ik 13, 14 jaar oud, ik had een broer van zes jaar ouder die de Arbeitseinsatz in moest. Zijn boekenkast was zijn heiligdom en daarin had hij zijn grootste schat liggen, een camera, waarvan het mij uitdrukkelijk verboden was om eraan te komen. Uit een boek van de bibliotheek wist ik hoe je dat apparaat moest bedienen. Ik nam het mee naar school en fotografeerde de leraren. De jongen die naast mij zat, stootte mij aan, hij zei: Als ze het zien, zijn de rapen gaar. Maar het was een Agfa Karat, een heel eenvoudig toestel dat zo weinig geluid maakte dat niemand er erg in had.”

Als er bijzondere lading was, zoals auto’s, vroeg HAL Van de Ven om te komen fotograferen.

Van een adempauze maak ik gebruik om te vragen of die foto’s er nog zijn. „Nee, die zijn in die tijd allemaal verdwenen, ik weet niet hoe. Mijn broer Henk kwam met tbc terug uit Duitsland, hij was er slecht aan toe. Het Amerikaanse Rode Kruis had hem thuisgebracht. Elke twee maanden stuurden ze een pakket met suiker, eierpoeder, meel, dat soort dingen – dat was voor mijn moeder elke keer een feest. Er zaten ook glossy’s in zo’n pakket, Amerikaanse tijdschriften, dat kenden wij helemaal niet, glossy’s. Ik vond dat zo verschrikkelijk mooi, daar wil ik voor fotograferen, dacht ik, en zo ben ik begonnen, maar wat ik als 15-, 16-jarige niet wist, was of ik talent had.”

Genomen vanaf de Hef toen het zo koud was dat zijn handen vastvroren aan de ijzeren treden: de Independent I die het ijs breekt voor de Prins Willem IV.

Dat het wat dat betreft wel snor zat, bewijst de fototentoonstelling Daniël van de Ven - Voor altijd Rotterdam in de Kunsthal. Gedurende een kwart eeuw – van 1946 tot 1971 – was Van de Ven werkzaam als fotojournalist, veelal in opdracht van de Holland-Amerika Lijn, maar ook voor dag- en weekbladen. In zijn woning in Hillegersberg laat hij mij zien wat die 25 jaar met de camera in de aanslag hebben opgeleverd: een stalen kast vol met stalen dozen met 65.000 op jaar en volgnummer gerangschikte negatieven.

Voor de samenstellers van de tentoonstelling moet het in dat archief prettig grasduinen zijn geweest. Ook het bij de tentoonstelling verschijnende, gelijknamige boek laat geen twijfel over wat het oog van Van de Ven vermocht. De foto’s vertellen het verhaal van een stad die opveert en een haven in volle bloei. Het moet gezegd, Rotterdam werkte bepaald mee. Haven en stad vróegen er in de jaren vijftig en zestig om gefotografeerd te worden, het liefst in zwart-wit. Rotterdam is het verhaal, Daniël van de Ven de verteller.

Op weg naar een andere opdracht zag Van de Ven een meisje dat haar kat liet wennen aan de nieuwe buurt.

Dat is hij ook nu ik bij hem op bezoek ben en hij vertelt over zijn eerste stappen in de fotografie. Hoe hij op de begraafplaats Crooswijk een foto maakte van de herdenking van de Oekraïner die in 1938 op de Coolsingel werd opgeblazen. „Niemand had door dat ik daar op Crooswijk liep te fotograferen, omdat ik zo’n jochie was. Het was mijn eerste persfoto, hij kwam in De Waarheid. Ik maakte hem met die camera van mijn broer. Later werkte ik met vijf verschillende camera’s. Elk onderwerp vraagt om een bepaald type camera,” zegt hij. Hij had een Leica met een gordijnsluiter en een Amerikaanse camera met een sluitertijd tot 1/2700ste seconde. Het jochie van eerst was een man geworden die fotografeerde gekleed in tweedpak.

Toen de Holland-Amerika Lijn verkaste naar Seattle, raakte Daniël van de Ven zijn grootste klant kwijt. „Ik was ineens bijna werkloos. Toen ben ik audio-visuals gaan maken. Dat is ook vertellen, maar dan met beeld en geluid. Ik heb 81 van die audio-visuals gemaakt, projecties op meerdere schermen met dia’s en film, met klanten als de gemeente, waterschappen, Unilever.” Uiteindelijk kwam ook daar de klad in en raakte Van de Ven betrokken bij de ontwikkeling van de beeldplaat. Op deze voorloper van de dvd maakte hij producties voor het Maritiem Museum en het Mauritshuis.

Maar in de Kunsthal gaat het om Daniël van de Ven de fotograaf. Voordat ik de deur van zijn appartement achter me dichttrek, komt hij met nog één fotografenweetje. Waarom Kodak Kodak heet. „Dat is het geluid van de sluiter”, zegt Van de Ven. „Ko-dak!”

Zoals hij het vertelt, moet het wel waar zijn.

De tentoonstelling Daniël van de Ven -Voor altijd Rotterdam is van 19 oktober tot 26 januari 2020 te zien in de Kunsthal. Het boek met dezelfde titel verschijnt bij uitgeverij Scriptum en kost 29,99 euro.