Recensie

Recensie Beeldende kunst

Albrecht Dürer ving de ziel van dieren en planten op papier

Tentoonstelling In het Weense Albertina-museum voel je nog altijd verbazing als je het vijfhonderd jaar oude werk ziet van Albrecht Dürer. Hoe kreeg hij dit voor elkaar?
Linker vleugel van een scharrelaar (circa 1500), Albrecht Dürer
Linker vleugel van een scharrelaar (circa 1500), Albrecht Dürer Beeld Albertina-museum, Wenen

Op een dag slikte de beroemde Venetiaanse schilder Giovanni Bellini zijn trots in, en vroeg zijn Neurenbergse collega Albrecht Dürer of hij die enorm fijne penseel eens mocht zien waarmee hij zijn gedetailleerde stillevens van dieren en planten aquarelleerde. Dürer (1471-1528) toonde hem de penselen. Verbluft constateerde Bellini dat er niets ongewoons bijzat: alle penselen die Dürer gebruikte, had hij zelf ook.

Dit was meer dan vijfhonderd jaar geleden. Maar nog kun je, als je de Dürer-tentoonstelling in het Weense Albertina-museum bezoekt, Bellini’s verbazing van toen invoelen. De fijne haartjes van de Jonge Haas lijken te trillen. Het licht dat tussen de uitgewerkte grashalmen van De Grote Graszode speelt, voelt haast warm aan. En het stuifmeel op de lange, dunne bladeren van De Iris wiegt mee in de zomerbries. Zelfs nu, in het Instagram-tijdperk, krijg je het idee dat je niet naar een knappe aquarel kijkt maar zelf in het gras ligt. Hoe kreeg Albrecht Dürer dit voor elkaar?

Goddelijk werk

Alleen al die vraag maakt een bezoek aan deze tweede overzichtstentoonstelling over Dürer in het Albertina deze eeuw (de eerste was in 2003), de moeite waard. Dürer, zoon van een Hongaarse goudsmit, was de grootste Renaissancekunstenaar van noord-Europa. Hij schilderde, tekende, graveerde, maakte houtsnedes. In zijn tijd had kunst een religieuze lading. Hoe beter je de werkelijkheid weergaf, hoe goddelijker je werk was en hoe dichter je bij God stond. In die zin gaf Albrecht Dürer zijn tijdgeest als geen ander weer: hij verbeeldde de natuur zo goed, dat hij de ziel van dieren en planten als het ware op papier ving – en ons dus laat zien wat goddelijkheid voor hem en zijn tijdgenoten betekende.

Jonge Haas (1502) van Albrecht Dürer Beeld Albertina-museum, Wenen

De aquarellen komen deels uit eigen collectie (sommige Habsburgse keizers waren Dürer-verzamelaars), maar zijn zelden te zien. Men nam lange tijd aan dat het voorstudies waren, of oefeningen. Eén dode vogel, een stierensnuit of een paar paarse violen zonder veel achtergrond, dat was niet ‘af’. Wat konden dit anders zijn dan studies, opstapjes naar grotere, drukkere werken vol mensen en dingen? Maar van dat idee zijn de curatoren afgestapt. Ze denken nu dat de aquarellen op zichzelf staan.

Dürer was een van de eersten die goed geld verdiende zónder dat hij in opdracht van rijke koopmannen, bisschoppen of vorsten hoefde te werken. Zijn houtsnedes en gravures maakten grote oplages mogelijk. Zijn vrouw Agnes stond zelf met afdrukken op de markt.

Financieel onafhankelijk

Door die grote oplages kon de prijs omlaag, en werden de prints grif verkocht. Dat maakte Dürer financieel onafhankelijk. Hij kon doen waar hij zin in had. Hij reisde naar Venetië, Bazel en Nederland, en liet zich door nieuwe indrukken of technieken van anderen inspireren. Hij schilderde wat hij wilde. Voor het geld hoefde het niet. Zo, gelooft men nu, zijn deze aquarellen ontstaan: uit liefde voor het vak, uit een queeste naar goddelijke perfectie.

Biddende handen (1508) van Albrecht Dürer. Beeld Albertina-museum, Wenen

De tekeningen en schetsen, waarvan er 140 in het Albertina hangen, zijn meestal wel voorstudies. Maar ook deze tekeningen van draperieën en handen zijn meesterwerken, omdat ze zo doorleefd zijn. Neem het beroemde Biddende Handen. Dat zijn de handen van Dürers broer Albert, die zelf kunstenaar wilde worden, maar eerst vier jaar in de mijnen werkte om Albrechts opleiding te bekostigen. Daarna wilde Albrecht een opleiding voor Albert betalen. Maar het was te laat.

In de tekening zie je waarom. Sommige vingers zijn gebroken door het zware mijnwerk. In één hand zit al artritis. Biddende Handen is opgedragen aan Albert. Zelfs een schets is bij Dürer niet zomaar een schets, maar bevat een heel leven.