De familie De Man woont nu noodgedwongen in een huis in Boxmeer. Ze hopen ooit met de familie op een kamp te kunnen wonen.

Foto Marijke Stroucken

Ze willen gewoon wonen op vier wielen, en met de deur van het slot

Er is in Nederland steeds minder plek voor woonwagenbewoners. Fotograaf Marijke Stroucken ging op zoek naar de cultuur van het kamp.

Op de lagere school in Breugel zat een opvallend meisje in de klas bij fotograaf Marijke Stroucken. Ze heette Swanna en woonde op een woonwagenkamp. Ze was niet op haar mondje gevallen en sloeg letterlijk van zich af als pestkoppen vervelend deden. Stroucken vond haar stoer en ze speelden graag samen. Hun ouders zagen niets in de vriendschap tussen een ‘woonwagenkind’ en een ‘burgerkind’, en dus kwamen ze niet bij elkaar thuis. Dit was Strouckens eerste kennismaking met de woonwagencultuur.

Wachten op een wonder heet de expositie van haar werk in Museum Hilversum. De foto’s tonen de cultuur van woonwagenbewoners, in het bijzonder die van Nederlandse komaf. De titel slaat op het tekort aan standplaatsen voor woonwagens. Sinds 1999 voerden gemeenten een uitsterfbeleid tegen de kampen, wat inhoudt dat vrijgekomen plekken leeg moesten blijven. De kampen zouden een broedplaats zijn voor werkloosheid en criminaliteit. Jonge woonwagenbewoners zijn radeloos, zij moeten door het beleid soms wel tientallen jaren wachten op een plekje. Stroucken was nieuwsgierig naar wat het met mensen doet als ze niet kunnen wonen zoals zij dat graag willen.

Ook uit andere hoeken is er de laatste tijd aandacht voor de situatie van woonwagenbewoners. Het College voor de Rechten van de Mens stelde meermaals dat het laten verdwijnen van de cultuur discriminerend is, en in strijd staat met het gelijkheidsbeginsel. Mede hierdoor begint het tij voorzichtig te keren. In 2014 kwam de woonwagencultuur op de lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed, in 2018 riep minister Kajsa Ollongren ( Binnenlandse Zaken, D66) gemeenten op om te stoppen met het uitsterfbeleid. Volgens de kampbewoners is dit niet genoeg. Zij vinden dat de gemeenten meer moeten doen aan de lange wachtlijsten, en dat er meer nieuwe standplaatsen bij moeten komen.

Riek Bruinink woont inmiddels 35 jaar op het kamp in Wilnis. In 2011 is haar wagen afgebrand. Samen met haar familie heeft ze haar wagen weer opgebouwd. Foto Marijke Stroucken

Johan van Schoten wacht sinds zijn 18de op een woonwagenplaats in Oldenbroek. Hij woonde een tijdje in een flat, maar daar werd hij depressief van. Nu woont hij in een caravan op een protestkamp in Zwolle. Foto Marijke Stroucken

Vooroordelen

Onvriendelijk, laagopgeleid, onwillig om te werken en crimineel. Dat zijn volgens Stroucken de vooroordelen die veel mensen hebben bij een woonwagenbewoner. Dat komt niet helemaal uit de lucht vallen: media besteden geregeld aandacht aan criminele activiteiten op de kampen. De politie vindt tijdens invallen drugs en wapens.

Stroucken stelt dat er, zoals in elke gemeenschap, rotte appels tussen zitten. Zij ontdekte een andere kant van de cultuur. Ze werd gastvrij ontvangen op alle kampen die zij bezocht. Ze mocht overal binnenkomen en aanschuiven voor het eten. „Ze betalen belasting, ze betalen huur en de kinderen gaan naar school. En ze zijn enorm trots op hun cultuur.”

Die cultuur uit zich in verschillende dingen. De gemeenschap is enorm sociaal en hecht, zegt ze. „Kinderen lopen vrij rond op het kamp, want iedereen let samen op. Ouderen gaan niet naar verzorgingstehuizen maar worden verzorgd door familie. En niemand doet de deur op slot.” Ook is de woonwagencultuur nog vrij traditioneel. Vrouwen doen het huishouden en zetten de koffie. Schoenen moeten uit bij de deur, handen wassen gebeurt niet in de keuken waar het eten wordt bereid. Verder zag Stroucken verschillen in de opvoeding van kinderen. „Die is een stuk vrijer. Kinderen rijden rond op scootertjes. Op andere vlakken is de opvoeding juist strenger. Zo leren ze al heel jong om op te staan voor ouderen.”

Woonwagenbewoners voelen zich niet thuis in de maatschappij. Ze hebben een grote hang naar vrijheid. De wielen onder de wagen, ook al zullen die wielen misschien nooit gebruikt worden, geeft meer het gevoel te kunnen gaan en staan waar je wil dan een rijtjeshuis. Maar de gemiddelde Nederlander wil hen ook niet als buren hebben, stelt Stroucken. Zij kreeg van bewoners veel verhalen over discriminatie te horen. Uitgenodigde klasgenootjes komen niet naar kinderfeestjes op het kamp en jongeren hebben moeite met het vinden van een stageplek. „Of zij zichzelf buitensluiten of worden buitengesloten door de maatschappij is een ingewikkelde wisselwerking.”

De woonwagenbewoners wachten op een wonder, en dat wonder is een bescheiden wens, stelt Stroucken. Zij willen kunnen wonen in een wagen, en die hoeft niet luxe te zijn. Stroucken vertelt over een wagen waarin een gezin met vier kinderen woont. Die heeft twee slaapkamers, in beide past net een twijfelaar. Maar er zitten wel vier wielen onder, en de deur hoeft niet op slot. „Alles wat zij willen, is met elkaar leven in zo’n wagen.”

Naar aanleiding van het project spoorde Stroucken Swanna op. Zij woont nu noodgedwongen in een huis. „Ze wilde niet op de foto, maar liever dan wat dan ook wil ze terug naar een woonwagen.”

Wachten op een Wonder in Museum Hilversum t/m 1/12. Zie: museumhilversum.nl

Bianca Meinhardt woont met haar moeder Mimi op het kamp in Weert. De woningbouwcorporatie wilde eerder haar wagen, die in slechte staat is, vervangen door een chalet. Meinhardt pikte het niet en kwam in actie. Ze won de rechtszaak en ook de erfgoedprijs voor de cultuur van de Sinti in Weert. Foto Marijke Stroucken

Andries Schafer (derde van links) is de initiatiefnemer van een protestkamp in Zwolle. Samen met zijn neven heeft hij een kamp opgeslagen op een parkeerplaats. Ze blijven daar staan totdat de gemeente hen een vaste standplaats aanbiedt. De gemeente gedoogt het protestkamp. Foto Marijke Stroucken